Data & Metadata


Hoe ga ik om met ECW-bestanden in ArcGIS for Desktop en ArcGIS for Server?

ECW-bestanden zijn niet in gelijke mate ondersteund in ArcGIS for Desktop en ArcGIS for Server. Dit artikel beschrijft hoe je ECW-bestanden kunt gebruiken in ArcGIS for Desktop en ArcGIS for Server.

Achtergrond

ECW (Enhanced Compression Wavelet) bestanden zijn gecomprimeerde raster bestandsformaten voor opslag van satelliet- en luchtfoto’s. Het ECW-formaat is ontwikkeld door Earth Resource Mapping en is tegenwoordig eigendom van ERDAS, Inc., onderdeel van Intergraph. Een groot voordeel van het gebruik van ECW-bestanden is de optimalisatie van belangrijke karakteristieken van rasterdata, te weten de snelheid van compressie, beeldkwaliteit, omvang en leessnelheid. Het ECW-bestandsformaat is het snelste wavelet compressie formaat wat beschikbaar is op de markt. 

Antwoord

ArcGIS for Desktop

De import van ECW-bestanden wordt volledig ondersteund door ArcGIS for Desktop. Het wordt als een 8-bit unsigned integer raster type ondersteund. ArcGIS for Desktop kan ECW bestanden lezen, maar deze niet (weg-) schrijven. ArcGIS for Desktop kan wel ECW-bestanden omzetten naar andere rasterformaten.

Nieuw is een gratis plug-in die Erdas heeft uitgebracht voor ArcGIS for Desktop 10.1/10.2. De plug-in vergroot de ArcGIS for Desktop ondersteuning van ECW-bestanden en biedt een snelle decompressie. De gratis download van de plug-in kun je hier vinden (let wel, de plug-in is ontwikkeld door Erdas, Inc., Esri Nederland kan hier geen support op bieden).

ArcGIS for Server

ECW bestanden worden echter niet standaard ondersteund door ArcGIS for Server en door de ArcGIS Server Image extensie. Wanneer je toch ECW-bestanden via ArcSDE wilt serveren, zijn er de volgende mogelijkheden:

  • Je kunt de ECW-bestanden converteren in ArcGIS for Desktop naar een ander formaat of naar een ArcSDE geodatabase. 
  • Je kunt de ECW-data kopiëren naar de server. Hierbij wordt alle data, ongeacht het formaat, in één File Geodatabase op de server geplaats. Hiervoor is wel een connectie naar de server noodzakelijk waarbij de optie ‘Copy data’ is aangevinkt.
  • Wanneer je de originele ECW-bestanden wilt bewaren, is het noodzakelijk om een ECW-licentie voor ArcGIS for Server aan te schaffen bij Erdas, Inc. Voor het gebruik van ECW bestanden via ArcGIS Image Server zijn drie DLL-bestanden noodzakelijk. Deze zijn verkrijgbaar bij Erdas, Inc. nadat de ECW-licentie is aangeschaft:
    • NCScnet.dll
    • NCSEcw.dll
    • NCSUtil.dll
    Daarnaast is er via Esri nog een download beschikbaar met daarin de benodigde bestanden welke noodzakelijk is voor de ondersteuning van de ECW-bestanden in ArcGIS Image Server. De download is hier te vinden (setup.zip).

Links


Mijn ArcMap document vertoont kuren, hoe kan ik dat oplossen?

Gebeurt het wel eens dat je een handeling in ArcMap al meerdere keren hebt uitgevoerd maar dat de uitkomst telkens anders is, of dat er rare dingen gebeuren tijdens het werken met het kaartdocument (mxd)? Voorbeelden hiervan zijn: het niet kunnen snappen naar een laag, het niet kunnen opslaan van het kaartdocument, lagen die niet goed worden getekend, het vastlopen van ArcMap of dat je lang moet wachten voordat de kaart geladen is.

Oorzaak

Oorzaak van bovengenoemde problemen zijn vaak mxd’s die mettertijd ‘vervuild’ zijn geraakt door het toevoegen en verwijderen van lagen of andere wijzigingen van het kaartdocument.

Antwoord

Deze problemen worden vaak verholpen door een nieuw document aan te maken met File > Save a Copy. Hiermee wordt de mxd opgeschoond.

Ook is het mogelijk om de inhoud van een mxd te kopiëren naar een nieuw kaartdocument. Dit doe je als volgt:

  1. Open het ‘corrupte’ kaartdocument in ArcMap.
  2. Open een nieuw, leeg kaartdocument.
  3. Selecteer alle lagen in de TOC van het corrupte kaartdocument en sleep deze naar het nieuwe kaartdocument.

  4. Sla het nieuwe kaartdocument op.
  5. Kijk of het probleem hiermee is opgelost.

Een alternatief hiervoor is het repareren van kaartdocumenten met behulp van de MXD Doctor, een tool waarmee ArcMap documenten kunnen worden geanalyseerd. Hiermee kan vervolgens een nieuw, gerepareerd ArcMap document worden aangemaakt. De MXD Doctor vind je in de ArcGIS Tools folder (C:\Program Files…\ArcGIS\Desktop…\Tools).

Na het openen van de MXDDoctor.exe verschijnt er een advies om het corrupte kaartdocument eerst te back-uppen. Klik daarna op ‘Yes’.

Selecteer nu het corrupte ArcMap document middels het knopje ‘Browse…’.

Hierna wordt de analyse gestart. Dit duurt meestal een aantal minuten. Als de analyse is afgerond kan je aan de hand van de selectievakjes onder ‘Document Status’ zien of de problemen kunnen worden opgelost. Hieronder een voorbeeld van een analyseresultaat (incl. toelichting).

  Oplosbaar

  Gedeeltelijk Oplosbaar

  Onbekend

  Niet oplosbaar

  Niet aanwezig

De previews bieden de mogelijkheid om de analyseresultaten te bekijken in het ‘Viewer’ venster aan de rechterkant. Alleen de oplosbare problemen kunnen hierin worden getoond.

Het is mogelijk om een diagnoserapport te laten genereren middels het knopje ‘Generate’. De resultaten worden weer weergegeven in het ‘Viewer’ venster en kunnen tevens worden opgeslagen of uitgeprint.

Afhankelijk van het analyseresultaat kan het kaartdocument worden gerepareerd. Het gerepareerde document kan worden opgeslagen in een nieuwe of bestaande mxd. Klik hiervoor op het tabblad ‘Treatment’. Standaard wordt het gerepareerde document opgeslagen in dezelfde map en onder dezelfde naam als het corrupte document met daarachter de toevoeging ‘_new’. Klik vervolgens ‘Fix Document’. Bij het repareren worden alle oplosbare problemen gekopieerd naar het nieuwe kaartdocument. De voortgang van het proces is te volgen in het tekstveld aan de rechterkant.

Je kan ook ervoor kiezen om corrupte onderdelen mee te nemen in het nieuwe kaartdocument. Zet hiervoor het vinkje uit bij ‘Transfer all non broken’ en kies voor de onderdelen die je wilt meenemen. Over het algemeen is het aan te raden om de corrupte onderdelen niet op te slaan in het nieuwe document omdat de kans groot is dat deze onderdelen opnieuw problemen veroorzaken. Het is daarom beter om deze onderdelen opnieuw aan te maken in het nieuwe ArcMap document of deze één voor één toe te voegen aan het nieuwe document via de MXD Doctor en telkens te testen of het daarna nog steeds werkt.


Hoe kunnen domeinen in een feature class worden verwijderd?

Het kan voorkomen dat domeinen zijn ingesteld voor een feature class en deze niet nodig blijken te zijn of verkeerd ingevoerd zijn. Een domein wordt op een andere manier verwijderd dan een gewoon veld in de attribute table. Onderstaand zijn de stappen beschreven die doorlopen kunnen worden om het domein te verwijderen uit de feature class.

  1. Open in ArcCatalog of ArcMap de tool ‘Delete Domain’ (Data Management Tools -> Domains -> Delete Domain).
  2. Navigeer in het venster dat opent voor het veld ‘Input workspace’ naar de file geodatabase waarin de domeinen zijn opgeslagen.
  3. Kies onder ‘Domain Name’ het domein dat verwijderd dient te worden.
  4. Klik op OK en het domein zal verwijderd worden.

Indien er meerdere domeinen zijn om te verwijderen, zullen deze stappen voor elk te verwijderen domein opnieuw doorlopen moeten worden.


Exporteren event layer naar shapefile/feature class geeft problemen: wat moet ik doen?

Gebeurt het wel eens dat je vanuit een X,Y tabel een event layer hebt aangemaakt maar dat er vervolgens iets misgaat bij het exporteren van de event layer naar een feature class of shapefile? Voorbeelden hiervan zijn foutmeldingen zoals “the data you are exporting contains one or more blob field” of ontbrekende gegevens in de attribuuttabel (geen features, ontbrekende velden etc.).

Antwoord

Bovengenoemde problemen kunnen vaak worden opgelost door de attribuuttabel van de event layer te exporteren naar een DBF table, de events opnieuw toe te voegen als event layer en daarna te exporteren als feature class/shapefile. Volg hiervoor de volgende stappen:

  1. Open de attribuuttabel van de event layer.
  2. Ga naar ‘Table Options’ > ‘Export…’.

  3. Kies ervoor om alle records te exporteren.
  4. Kies de output locatie en selecteer ‘dBASE table’ bij ‘Save as type’.
  5. Klik ‘Save’ en daarna ‘OK’ in het ‘Export Data’ venster.

  6. Voeg de nieuwe DBF-tabel toe aan het kaartdocument.
  7. Klik vervolgens met de rechtermuisknop op de DBF-tabel > ‘Display XY Data…’.

  8. Selecteer de X- en Y-velden en voeg het coördinatensysteem toe. Klik op ‘OK’.

  9. Exporteer de data naar een feature class/shapefile (rechtermuisklik op de event layer > ‘Data’ > ‘Export Data…’)

  10. Controleer of de data nu goed wordt getoond in de Attribuut Tabel en de Data View.

Na het toevoegen van een WFS service krijg ik een laag met de titel NoGeometry, hoe kan ik dit oplossen?

Van toepassing op ArcGIS 9.x en 10.0 for Desktop

Bij het toevoegen van een WFS verbinding via Data Interoperbability Connections in het Catalog venster verschijnt de melding: “This dataset appears to be invalid, please verify that your settings or file contents are correct and try again”. De WFS verbinding wordt vervolgens weergegeven met ‘No Geometry’.

Antwoord

Het probleem wordt veroorzaakt doordat in het ‘Parameters’ venster de gewenste ‘Feature types’ nog niet zijn geselecteerd tijdens het aanmaken van de Data Interoperability Connection. ArcGIS 10.1 for Desktop geeft dit probleem zelf aan tijdens het aanmaken van een WFS verbinding (“A required reader parameter is missing”). ArcGIS 9 en 10.0 for Desktop geven dit niet aan, maar de resulterende WFS connectie zal niet goed werken. Dit probleem kan worden opgelost door de volgende stappen te volgen:

  • Open het Interoperability Connection venster door dubbel te klikken op ‘Add Interoperability Connection’ in het Catalog venster. Maak een WFS verbinding aan en klik vervolgens op ‘Parameters...’.

  • Het ‘Parameters’ venster is nu open. Onder ‘Constraints’ staat een veld ‘Table List’ of ‘Feature Types’ (afhankelijk van de versie van de software). Klik op ‘…’ achter het veld om de gewenste Feature types te selecteren.

  • De feature types zijn nu ingevuld. Het venster kan gesloten worden om verder te gaan met het aanmaken van de WFS connectie.

Nu verschijnt de WFS verbinding correct in het Catalog venster en kan deze worden gebruikt in ArcGIS for Desktop.


PDOK-services gebruiken in ArcGIS

Er wordt vaak gevraagd of er een versie beschikbaar is van de PDOK-extensie die compatibel is met de nieuwste versies van ArcGIS?

Enkele jaren geleden heeft Esri Nederland in opdracht van Rijkswaterstaat en in samenwerking met PDOK de PDOK-extensie voor ArcGIS 10.1 en 10.2 ontwikkeld. Deze extensie voor ArcMap maakt het mogelijk om te zoeken in het Nationaal Geo Register en PDOK-services te tonen en downloaden. Inmiddels is deze extensie achterhaald omdat ArcGIS zelf deze functionaliteit standaard biedt.

In ArcMap kan gezocht worden in ArcGIS Online op PDOK, bijvoorbeeld via Ctrl-F of ‘Add Data From ArcGIS Online...’. Als resultaat worden de PDOK-services getoond en kan deze vervolgens als laag worden toegevoegd aan de kaart. Ook kan de data lokaal opgeslagen worden. Hieronder een screenshot waar een PDOK-service met andere data (in dit geval een ArcGIS Basemap) gecombineerd wordt.


Kan een File of Personal Geodatabase gemaakt in ArcGIS for Desktop10.2 geconverteerd worden naar een Geodatabase van een eerdere versie?

Het is niet mogelijk om een File/Personal Geodatabase (GDB) aangemaakt in ArcGIS for Desktop 10.2 te openen in een eerdere versie van ArcGIS Desktop. Kan een Geodatabase gemaakt in ArcGIS for Desktop 10.2 geconverteerd worden naar een eerdere versie?

Antwoord

Een geodatabase aangemaakt in ArcGIS for Desktop 10.2 kan niet worden geconverteerd naar een naar eerdere versie (9x of 10). Het is wel mogelijk om een nieuwe geodatabase (File en personal) aan te maken die geschikt is voor de versies 9.2 en nieuwer. Vervolgens kan de data worden overgeplaatst van de ene geodatabase naar de andere. Hieronder wordt stapsgewijs uitgelegd hoe dit werkt.

Stap 1: Het aanmaken van geodatabase voor een voorgaande versie 

De volgende stappen beschrijven hoe een geodatabase voor 9.x en hoger gemaakt kan worden met behulp van ArcGIS for Desktop 10.2.

  1. Ga naar ‘ArcToolbox’ > ‘Data Management Tools’ > ‘Workspace’ en Selecteer hier ‘Create File GDB’ of ‘Create Personal GDB’.
  2. Geef in het ‘Create File GDB’ venster een naam en opslaglocatie op voor de nieuwe Geodatabase.
  3. Selecteer bij de optie ‘Geodatabase Version’ de juiste versie van de nieuw aan te maken GDB.
  4. Klik op ‘OK’.

Er wordt nu een GDB aangemaakt van de door jou opgegeven versie. In de volgende stap wordt uitgelegd hoe de data verplaatst kan worden van de ene naar de andere GDB.

Stap 2: Export/Import data tussen twee geodatabases

  1. Klik met de rechtermuisknop op de 10.2 GDB in ArcCatalog of de Catalog Window in ArcMap.
  2. Selecteer ‘Export’ > ‘XML Workspace Document’.

    Als deze optie niet aangeklikt kan worden, klap dan de geodatabase uit.

  3. Zorg dat Data is aangevinkt in het eerste scherm van de ‘Export Workspace Document Wizard’ en klik in het laatste scherm op ‘Finish’. De output is een XML-document.
  4. Klik met de rechtermuisknop op de eerder aangemaakt GDB en selecteer ‘Import’ > ‘XML Workspace Document’.
  5. Ga in de ‘Import XML Workspace Document wizard’ naar het zojuist aangemaakt XML bestand uit stap 3 met behulp van de ‘Browse button’. Klik vervolgens op ‘Next’.
  6. Voltooi het importeren door op ‘Finish’ te klikken. De data is nu geïmporteerd in de nieuw aangemaakte GDB van een oudere versie.

De GDB kan nu gebruikt worden in de door jou gekozen versie van de software.


Waarom zie ik na het verplaatsen van mijn data, naar een andere map, rode uitroeptekens in de Table of Contents bij het openen van een Map Document (.mxd bestand)?

Waarom zie ik na het verplaatsen van mijn data, naar een andere map, rode uitroeptekens in de Table of Contents bij het openen van een Map Document (.mxd bestand)?

Oorzaak

De locatie van de data is niet opgeslagen met relatieve padnamen, maar met harde verwijzingen naar een map. Daarom kan ArcMap de data niet meer kan vinden wanneer deze verplaatst is.

Antwoord

Bij het openen van een Map Document in ArcMap verschijnen rode uitroeptekens in de table of contents. Dit heeft te maken het met feit dat de data niet meer op de plek staat waar het stond op het moment dat dit document het laatst opgeslagen is en het programma deze daarom niet meer kan vinden.

Over het algemeen is dit probleem te voorkomen door geen harde, maar relatieve padnamen naar de data te gebruiken, Dit kan je instellen in de Map Document Properties (File > Map Document Properties…) door het vinkje ‘Store relative pathnames to data sources’ aan te vinken. Wanneer deze optie is aangevinkt, wordt het pad naar de data niet meer absoluut opgeslagen, maar relatief ten opzichte van de locatie van het Map Document (.mxd bestand). Nu kan je de Map Documents en de data samen verplaatsen zonder dat ArcMap de databronnen kwijt raakt (zolang de .mxd bestanden en de data ten opzichte van elkaar op dezelfde plek blijven staan).

Mocht het onverhoopt toch gebeuren dat ArcMap de databronnen niet kan vinden, dan zijn er een aantal mogelijkheden om de data weer beschikbaar te krijgen. Hieronder worden deze achtereenvolgens genoemd:

  1. Plaats de data en map documents terug naar de originele locatie.
  2. Plaats de data en map documents terug naar de originele locatie, stel in dat ArcGIS relatieve paden moet gebruiken en verplaats de map documents en data vervolgens naar de nieuwe locatie (zie ook Paths explained: Absolute, relative, UNC, and URL).
  3. Open ArcCatalog, klik met de rechter muisknop op de map documents en kies daar voor ‘Set Data Source(s)…’ (zie ook Setting data sources).
  4. Open de map documents en repareer de data sources daar (zie ook Repairing broken data links).
  5. Gebruik Python om het repareren van data sources te automatiseren (zie ook Updating and fixing data sources with arcpy.mapping). Hier zijn wel een aantal problemen mee bekend wat betreft data sources die verwijzen naar een ArcSDE database.
  6. Dubbelklik in de Table of Contents in ArcMap op een rood uitroepteken. Je komt dan in het Set Data Source scherm. Hier kan je aangeven waar de data tegenwoordig staat.

 

Websites:


De coördinaten van mijn data liggen verkeerd ten opzichte van de basemap, hoe krijg ik dit goed?

De coördinaten van mijn data liggen ongeveer 150 meter verschoven ten opzichte van de basemap, hoe krijg ik dit goed?

Antwoord

Bij dit artikel is uitgegaan van versie 10.2.1 en data die in RD_New staat. Hierbij het stappenplan om de basemap om te zetten naar RD_New:

  1. Ga naar het Data Frame Properties-scherm (Table of Contents – rechtermuisklik op Layers - Properties) en klik op de Coordinate System-tab).
  2. Type in het zoekvenster RD_New of klik in het venster Projected Coordinate System > National Grids > Europe > RD_New.
  3. Klik op Apply, maar sluit het scherm nog niet af.
  4. Ga naar Transformations (in het pop-up scherm)
  5. Zorg dat het scherm dat zich opent er ongeveer zo uit komt te zien als dit screenshot:
  6. Klik OK in het Geographic Coordinate System Transformations-scherm, klik Yes in het pop-up scherm en klik OK in het Data Frame Properties- scherm.
  7. Bekijk de kaart. De data past nu op de basemap.

Waarom ligt mijn CAD data verkeerd na een ‘Export to CAD’ en hoe kan ik dit verhelpen?

Wanneer je gebruik maakt van de ‘Export to CAD’ tool om data te converteren naar het Microstation DGN formaat, kan het zo zijn dat de data niet op de juiste coördinaten komen te liggen. Hoe kan het dat mijn CAD data verkeerd ligt na een ‘Export to CAD’ en hoe kan ik dit verhelpen?

Oorzaak

Wanneer het geëxporteerde bestand niet dezelfde meeteenheid en Global Origin heeft als de ‘seed file’, kan het gebeuren dat de data niet goed op andere bestanden komt te liggen in Microstation. Wanneer je gebruik maakt van één van de default ‘seed files’ die worden aangeboden in ArcGIS Desktop tijdens het uitvoeren van de ‘Export to CAD’ tool, zullen de meeteenheden en de Global Origin overeenkomen met het te exporteren bestand. Wanneer dit nieuwe DGN bestand wordt ingelezen in Microstation in combinatie met een andere DGN, kan het voorkomen dat de objecten niet juist worden weergegeven in Microstation.

Antwoord

De volgende stappen dienen in Microstation te worden uitgevoerd om zo een correcte ‘seed file’ te creëren met de juiste units en Global Origin:

  1. Open in Microstation het DGN bestand waarop de te exporteren shapefile moet aansluiten.
  2. Sla het DGN bestand op onder een nieuwe naam. Wanneer het bestand wordt opgeslagen in Microstation v8 of v8 XM moet het bestand na het opslaan eerst nog worden gecomprimeerd en vervolgens nogmaals worden opgeslagen.
  3. Teken een ‘Fence’ (block) om de objecten in het DGN bestand met de ‘Inside’ optie aan.
  4. Verwijder de objecten binnen de ‘Fence’ met de tool ‘Delete Fence Contents’. Deze tool is te vinden op de ‘Fence Toolbar’ in Microstation.
  5. Sla de kopie opnieuw op.
  6. Ga vervolgens weer naar ArcGIS en open ArcToolbox. Voer de tool ‘Export to CAD’ uit. Gebruik hierbij het DGN bestand waarvan zojuist de objecten zijn verwijderd als ‘seed file’.

N.B. De ‘seed file’ moet tijdens de conversie geheel leeg zijn. Er mogen geen objecten aanwezig zijn in het bestand. Als dit wel het geval is kunnen de objecten problemen veroorzaken bij de conversie.


Waarom raakt mijn File Geodatabase corrupt en/of waarom is hij traag?

Hoe kan een File Geodatabase (FGDB) corrupt raken terwijl slechts één gebruiker ermee werkt? Waarom is mijn FGDB zo traag?

Oorzaak

Zogeheten real-time of on-access virusscanners kunnen File Geodatabases corrupt maken. Tevens kunnen ze bijdragen aan extra traagheid. Dit type virusscanners scannen dan elk bestand wat geopend wordt. In het geval van een FGDB zijn dit veel bestanden.

Een FGDB kan corrupt raken, omdat een virusscanner meer rechten dan reguliere programma’s heeft en daarmee conflicterende opdrachten kan uitvoeren. Een virusscan in combinatie met een schrijfactie van ArcMap kan hierdoor een fout introduceren.

Traagheid wordt veroorzaakt door de veelvoud aan bestanden in een FGDB in combinatie met de eerder genoemde virusscanner. Elk bestand dat geopend wordt, wordt tevens gescand. In het geval van een FGDB zijn dat er veel en daarom is de cumulatieve vertraging merkbaar.

Bij netwerkopslag van een FGDB treden de meeste van dit soort problemen, echter doen dergelijke problemen zich ook lokaal voor. De virusscanner van een netwerkschijf zal ongeremd scannen bij elke actie, met traagheid en in het ergste geval corruptie tot gevolg.

Antwoord

Om snel vast te stellen dat de virusscanner het probleem veroorzaakt, kan deze ter test worden uitgeschakeld. Indien op een netwerkschijf gewerkt wordt, kan ook hier de virusscanner worden uitgeschakeld. Echter dient dit vaak te worden uitgevoerd door de systeembeheerder. Als alternatief kan de data lokaal gekopieerd worden.

Functioneert de FGDB wel naar behoren als de virusscanner is uitgeschakeld? Zorg dan voor het limiteren van de virusscanner:

  1. Scan periodiek en bij voorkeur ‘s nachts. Hierdoor wordt er gegarandeerd dat er niemand meer “live” is als er wordt gescand.
  2. Schakel de real-time controle op .gdb folders uit. Raadpleeg hiervoor de handleiding van de virusscanner. Controleer eventueel de werking middels onderstaande instructies.

Om te controleren dat alles naar behoren werkt, kunnen we gebruik maken van het “EICAR test virus”. Dit is een onschuldig bestand om de werking van virusscanners te controleren. Aanvullende informatie is te vinden op: http://en.wikipedia.org/wiki/EICAR_test_file

  1. Maak een nieuwe FGDB aan via ArcCatalog. BELANGRIJK: gebruik nooit een productiedatabase! Handmatige aanpassingen kunnen FGDB’s corrupt maken.
  2. Kopieer de onderstaande tekst in een nieuw tekstbestand en sla deze op in de folder van de test-FGDB.

    X5O!P%@AP[4\PZX54(P^)7CC)7}$EICAR-STANDARD-ANTIVIRUS-TEST-FILE!$H+H*

  3. Voer hierna een scan uit op de FGDB-folder of wacht totdat de automatische scan uitgevoerd wordt.

Hiermee controleer je of de instellingen werken. Wordt het bestand niet als virus gedetecteerd, dan is de FGDB uitgesloten van scans en raakt deze niet meer corrupt als gevolg van de virusscanner.


WFS en GML tonen niet in ArcGIS 10.x. Hoe komt dat?

Probleem

Mijn opgeslagen WFS-verbindingen en lokale GML-bestanden tonen niet in ArcGIS 10.x, zoals wel in ArcGIS 9.x. 

Oplossing

Voor het bekijken van WFS-services en GML-bestanden is de installatie van de Data Interoperability Extensie noodzakelijk (hoewel geen licentie vereist is). Anders dan in ArcGIS for Desktop 9.x, waar deze extensie werd meegenomen bij een volledige installatie, dient de installatie van de extensie in ArcGIS for Desktop 10.x apart te worden opgestart. De setup is te vinden op het originele ArcGIS for Desktop installatiebestand of kan worden opgestart vanuit het autorun scherm (Esri.exe) van het installatiebestand.


Hoe kan ik een gebouw vanuit Google 3D Warehouse/Google SkechUp toevoegen in ArcScene of ArcGlobe 10?

Hoe kan ik een gebouw vanuit Google 3D Warehouse/Google SkechUp toevoegen in ArcScene of ArcGlobe 10?

Antwoord

In de onderstaande stappen wordt uitgelegd hoe met behulp van de SketchUp applicatie (6.0) een 3D gebouw kan worden toegevoegd in ArcScene of ArcGlobe.

NB. Voor deze toepassing moet de 3D analyst extensie aanwezig zijn.

Een gebouw uit Google 3D Warehouse kan alleen aan een MultiPatch Feature Class worden toegevoegd. Alvorens modellen toe te voegen in ArcScene zal dus een MultiPatch Feature Class moeten worden aangemaakt. Voor meer informatie betreffende het aanmaken van een (Multipatch) Feature Class verwijzen we door naar de ArcGIS Desktop help.

Stappenplan toevoegen van 3D gebouw:

  1. Ga naar http://sketchup.google.com/3dwarehouse/. Op deze website kunnen gebouwen gevonden worden die al eerder zijn aangemaakt met behulp van de SketchUp applicatie. Voer in het zoekveld ‘Rotterdam, Montevideo’ in.
  2. Ga na of het gebouw ‘De Montevideo’ in Rotterdam al is toegevoegd in de database.
  3. Klik op het gebouw.
  4. Klik ‘Download Model’, kies Collada (.zip) en druk op ‘save’.
  5. Sla het bestand op.
  6. Klik op ‘Open folder’ en Winzip, unzip vervolgens de bestanden.
  7. Sluit het venster.
  8. Start ArcScene of ArcGlobe.
  9. Klik ‘Start Editing’ op de 3D Editor Toolbar.
  10. Selecteer de laag waarin het gebouw zal worden toegevoegd (Multipatch Feature Class).
  11. Dubbelklik op de locatie waar het gebouw geplaatst moet worden (Kop van Zuid). Vervolgens opent zich een scherm waarin genavigeerd kan worden naar het opgeslagen gebouw.
  12. Kies voor ‘Models’ > ‘model.dae’.
  13. Het 3D gebouw ‘De Montivideo’ zal nu verschijnen op de aangewezen locatie.

Montevideo te Rotterdam

In bovenstaand voorbeeld wordt gebruik gemaakt van een model dat al eerder is aangemaakt met behulp van de SketchUp applicatie.

Meer achtergrondinformatie is te vinden op de volgende websites:


Waarom wordt mijn tekstbestand (CSV bestand) niet goed ingelezen als ik de Nederlandstalige instelling in Windows gebruik?

Als de taalinstelling in Windows op Nederlands staan, worden bij het inlezen van een tekstbestand met X,Y data de coördinaten niet herkend. Het exporteren van data uit een tabel naar een tekstbestand gaat ook niet goed, er komt dan de melding "An error occurred exporting the table". Hoe komt dit?

Oorzaak

Alle tekstbestanden met extensie *.txt, *.csv en *.asc worden geïnterpreteerd als een CSV bestand. Bij een tekstbestand van het CSV formaat is de komma het scheidingsteken tussen de verschillende kolommen. Wanneer echter de taalinstelling op Nederlands staat, wordt het decimale teken (in het Engels een punt) vervangen door een komma. Hierdoor wordt het tekstbestand niet meer correct ingelezen in ArcGIS. Dit treedt zowel op bij de Nederlandstalige versie van Windows, als bij een Engelstalige versie waarbij de taalinstelling naar het Nederlands is gewijzigd.

Antwoord

Om het inlezen van een tekstbestand goed te laten verlopen, moet je gebruik maken van het zogenaamde "schema.ini"bestand.

Schema.ini is het “tekst file stuurprogramma”. Dit bestand staat in dezelfde folder als het bronbestand. Het geeft informatie over bijvoorbeeld de naam van het bestand en de formaatinstelling, waaronder het lijstscheidingsteken.

Figuur 1 toont een voorbeeld van het bestand “lijst.csv” waarin een ',' lijstscheidingsteken gebruikt wordt. Figuur 2 toont het hierbij behorende schema.ini die op dat moment automatisch wordt aangemaakt.


Figuur 1 Figuur 2

Bij de creatie van schema.ini is het formaat CSVDelimited. CSV staat voor Comma Separated Value of Character Separated Value.

Als je echter gebruik maakt van de Nederlandse taalinstelling, moet het lijstscheidingsteken gewijzigd worden. Hieronder staat een schema van de mogelijke opties voor het formaat.

Formaat variant Tabel formaat Schema.ini formaat formulering
Tab Delimited Velden in het bestand zijn gescheiden door tabs Format=TabDelimited
CSV Delimited Velden in het bestand zijn gescheiden door komma's Format=CSVDelimited
Custom Delimited Velden in het bestand zijn gescheiden door een willekeurig gekozen karakter. Alle karakters zijn mogelijk, behalve dubbele aanhalingsteken (“) Format=Delimited(gekozen karakter) -of- leeg: Format=Delimited( )

Hoe pas ik Schema.ini aan?

Om de bestanden goed te kunnen importeren moet het bestand schema.ini aangepast worden. Het scheidingsteken (delimiter) moet zodanig aangepast worden dat deze overeenkomt met het in het bestand gebruikte teken. Er staat altijd maar één schema.ini bestand in een directory. Als je het formaat van meerdere bestanden wilt aanpassen, moeten die dus onder elkaar in dezelfde schema.ini vermeld worden. Zie figuur 3.


Figuur 3

Andere scheidingstekens werken ook, zoals bijvoorbeeld „|? (pipe) of „@? (apenstaartje).

Hoe kan ik XY-data van een csv bestand importeren?

Het importeren van een tekstbestand met XY-data gaat als volgt:

  • Bij ArcGIS 10.x: File > Add Data > Add XY Data

Als in de schema.ini het juiste formaat is aangegeven, worden "X Field" en "Y Field" automatisch ingevuld.

 

Als het schema.ini bestand correct is aangepast, zullen de juiste velden verschijnen in "X Field" en "Y Field".

Hoe kan ik data uit een tabel exporteren naar een tekstbestand?

Het exporteren van een attribuut tabel gaat als volgt:

  1. Open attribute table > Table Options > Export;
  2. Kies bij “save as type” voor Text File

Bij deze keuze gaat de export fout bij een Nederlandstalige taalinstelling.
De volgende foutmelding verschijnt: “An error occurred exporting the table.”

Deze fout wordt voorkomen als je de schema.ini de bestandsnaam en het formaat opgeeft.
Je kunt bijvoorbeeld TabDelimited aangeven.

Conclusie

De schema.ini is het bestand wat aangepast dient te worden om de conversie van tekstbestanden goed te laten lopen met een Nederlandstalige taalinstelling. Het formaat CSVDelimited dient hierbij vermeden te worden. Gekozen kan worden voor TabDelimited of Delimited met een scheidingsteken.

Zie onderstaande links voor meer informatie over dit onderwerp:


Welke transformatie moet ik gebruiken om een dataset van WGS 1984 om te zetten naar RD_New (Rijksdriehoeksstelsel)?

Welke transformatie moet ik gebruiken om een dataset van WGS 1984 om te zetten naar RD_New (Rijksdriehoeksstelsel)?

Antwoord

Als je in ArcGIS for Desktop 10.x een transformatie wilt uitvoeren van WGS 1984 naar RD_New, zijn er een aantal mogelijke transformaties. Gebruik Amersfoort_To_WGS_1984_2008_MB voor een juiste transformatie. Deze voldoet aan de laatste eisen die in Nederland aan de onderliggende parameters zijn gesteld.

 


Hoe wissel ik MXD's, layerfiles en data uit Geodatabases uit tussen verschillende versies van ArcGIS?

ArcMap documenten, layerfiles en data gemaakt in ArcGIS 10.x kun je niet zomaar gebruiken in ArcGIS 9.x. Alle data en mxds van ArcGIS 9.x kunnen wel zonder problemen in ArcGIS 10.x bekeken worden. Let er wel op, dat als je bijvoorbeeld een mxd van ArcGIS 9.x in ArcGIS 10.x opent, de mxd standaard als een ArcGIS 10.x document opgeslagen wordt.

Tussen de versies ArcGIS 10.x is het geen probleem om MXD's, layerfiles en data uit te wisselen.

Hieronder wordt per categorie aangegeven, hoe je ze op moet slaan zodat ze in versie 9.x gebruikt kunnen worden.

Layerfiles

Volg deze stappen om een layerfile als een eerdere versie op te slaan:

  1. Kies Save As Layer File via de kaartlaag in ArcMap;
  2. Kies vervolgens in het scherm “Save Layer” voor de juiste versie bij Save as type.

Je kunt kiezen uit versie 8.3 tot 10.0. Voor ArcGIS 9.3.1 kies je 9.3.

ArcMap Document (*.mxd)

Volg deze stappen om een mxd document als eerdere versie op te slaan:

  1. Kies File > Save A Copy;
  2. Kies vervolgens in het scherm “Save A Copy” voor de juiste versie bij Save as type.

Je kunt kiezen uit versie 8.3 tot 10.0. Voor 9.3.1 kies je 9.3.

Voor nieuwe functionaliteit in ArcGIS 10.x wordt zoveel mogelijk een oplossing in ArcGIS 9.x gezocht: als je bijvoorbeeld een basemap layer in je ArcGIS 10.x *.mxd hebt, dan wordt deze opgeslagen als een group layer in versie 9.x. Het beeld blijft hetzelfde, alleen de snelheid van de basemap layer ben je kwijt.

Databases (Personal Geodatabase, File Geodatabase, SDE)

ArcGIS 9.x clients kunnen geen data uit Geodatabases van versie ArcGIS 10.x lezen. Er bestaat echter in versie ArcGIS 10.x de mogelijkheid om een File of Personal Geodatabase aan te maken in een eerdere versie:

  1. Voor het aanmaken van een Personal GDB in een oudere versie ga naar: Toolboxes > System Toolboxes > Data Management Tools > Workspace > Create Personal GDB.
    Voor het aanmaken van een File GDB in een oudere versie ga naar: Toolboxes > System Toolboxes > Data Management Tools > Workspace > Create File GDB. In de tools bestaat de optie om de versie van de nieuwe Geodatabase te kiezen:
  2. Vervolgens kun je met ArcCatalog via copy/paste de data uit de ArcGIS 10.x GDB (File, Personal of ArcSDE GDB) naar de nieuwe Geodatabase kopiëren.

Hier vind je een compleet overzicht over de compatibiliteit van Geodatabases tussen verschillende versies.

Layer Package

Verder is er ook een tool om een layer package aan te maken: “Package Layer” (onder ArcToolbox > Data Management Tools > Package > Package Layer). Hier kun je een versie kiezen (10 of 9.3.1).

Het gebruik van ArcGIS 9.x en ArcGIS 10.x binnen één organisatie

Bij de overstap naar ArcGIS 10 moet een nieuwe License Manager geïnstalleerd worden. Van deze License Manager kunnen zowel ArcGIS 10.x als ArcGIS 9.x clients gebruik maken.

Let er wel op, dat je voor ArcGIS 9.3.1 clients eventueel Bing Maps moet autoriseren. In ArcGIS 10.x zit Bing Maps er standaard bij, voor ArcGIS 9.3.1 moet je de code EFL444777222 gebruiken. 

In ArcGIS 10.x is het mogelijk om een licentie te lenen ("Borrow/Return" in de ArcGIS Administrator). Dit is alleen mogelijk voor de ArcGIS 10.x clients, niet voor ArcGIS 9.x clients.

Website:


Hoe kan ik langere teksten importeren in een GDB?

Hoe kan ik langere teksten dan 255 tekens importeren in een GDB, zodat deze ook als leesbare tekst gebruikt kunnen worden met ArcGIS functionaliteit, zoals queries en identify.

Oorzaak

Wanneer teksten groter zijn dan 255 characters worden deze opgeslagen in blob formaat en is het met de standaard functionaliteit binnen ArcGis niet mogelijk om de blob’s om te zetten naar character strings.

Antwoord

Er is een workaround om het importeren van langere strings toch mogelijk te maken. Het lukt wel wanneer dit gedaan wordt via Acces. Hieronder een stappenplan van hoe dit in zijn werk gaat:

  1. Creëer binnen ArcCatalog een lege Personal Geodatabase (geen File GDB);
  2. Dubbelklik deze pgdb om Acces op te starten (je moet natuurlijk wel Acces ter beschikking hebben);
  3. Klik op de External Data tab;
  4. Klik op Text file;
  5. Volg vanaf hier de stappen zoals gebruikelijk om gegevens te importeren.

Er moeten nog wel wat nabewerkingen gedaan worden. Zo moeten de veldnamen gecorrigeerd worden. Maar er is nu wel een tabel die gebruikt kan worden binnen ArcGIS met de complete (langere) tekststrings.


Hoe krijg ik meerdere CAD bestanden uit één of meer feature classes?

Probleem

Soms wil je individuele features wegschrijven naar verschillende CAD bestanden. Dit is mogelijk door het speciale CAD veld “DocPath” te gebruiken.

Antwoord

Zodra de Export to CAD tool (ArcGIS ArcInfo license) een feature tegenkomt met een geldige waarde in het veld “DocPath”, wordt deze gebruikt als het pad van een output CAD bestand.

Om dit te bewerkstelligen kan een input feature class worden voorzien van een “DocPath” veld door een veld aan te maken of te voorzien van een alias “DocPath”. Dit veld kan tevens een veld in een gerelateerde tabel betreffen (m.b.v. een join). Het tekstveld “DocPath” moet voldoende karakters kunnen bevatten om de paden naar de CAD bestanden op te slaan. Dit veld is een van de speciale CAD velden die de functionaliteit van de Export to CAD tool beïnvloeden.

Vul het veld met de tekstwaarde van het pad naar het CAD doelbestand in. Dit zal afhankelijk van de environment setting GP.OverwriteOutput en de setting “Append to existing files” in het Export to CAD dialoog, de feature wegschrijven naar een bestaand CAD bestand of het bestaande CAD bestand overschrijven en vullen met het de feature. Als een opgegeven bestand nog niet bestaat, zal dit bestand worden aangemaakt. Bij het aanmaken van nieuwe CAD bestanden zal altijd gebruik worden gemaakt van het opgegeven seed bestand in het Export to CAD dialoog.

Als de parameter “Ignore paths in table” is geactiveerd, zullen de waarden in  het “DocPath” veld worden genegeerd en alles worden weggeschreven in het doelbestand zoals opgegeven in het dialoog. Als de parameter niet geactiveerd is, worden alle features met geldige waarden in het “DocPath” veld weggeschreven naar de desbetreffende CAD bestanden en worden de features met ongeldige of lege waarden in dit veld weggeschreven naar het opgegeven doelbestand.


Hoe kan ik incorrecte geometrie aanpassen met behulp van Geoprocessing Tools?

Bij het samenvoegen van bestanden uit verschillende bronnen kan het voorkomen dat vlakken die tegen elkaar aan horen te liggen of lijnen die dezelfde weg of grens voorstellen net enkele centimeters bij elkaar vandaan liggen of elkaar overlappen. Dit kan fouten in de data veroorzaken en bij latere aanpassingen/analyses voor problemen zorgen.

ArcGIS heeft verschillende mogelijkheden om dit soort problemen te corrigeren. Een aantal mogelijkheden valt onder de topologiefunctionaliteit, maar er zijn ook een aantal geoprocessing tools die een oplossing kunnen bieden. 

De smalle polygonen die kunnen ontstaan bij het samenvoegen van data, ook wel slivers genaamd, kunnen worden verwijderd door de tool ‘Eliminate’ te gebruiken. Deze tool kun je vinden in ArcGIS for Desktop Advanced 10.x onder: Data Management Tools > Generalization

De ‘Eliminate’ tool verwijdert niet zomaar vlakken, maar voegt de ontstane sliver polygonen toe aan de naastgelegen vlakken. Er kan gekozen worden tussen het toevoegen van de polygoon aan de grootste aanliggende vlak of voor het vlak waarmee de grootste grens gedeeld wordt. Het kiezen van welke vlakken verwijdert dienen te worden gebeurd aan de hand van een selectie. Kies voor vlakken die een bepaald relevant attribuut missen of voor vlakken kleiner dan een bepaald oppervlak. Bij de laatste keuze moet goed worden nagegaan wat de oppervlakte is van de kleinste relevante vlakken. Deze mogen natuurlijk na het uitvoeren van de tool niet verdwenen zijn. 

Een andere tool die gebruikt kan worden voor het oplossen van incorrecte geometrie is de ‘Integrate’ tool. Deze tool is te vinden in ArcGIS for Desktop 10.x onder: Data Management Tools > Feature Class. Deze tool zorgt ervoor dat objecten geometrisch gelijk worden. In de tool kun je de maximale verschuivingswaarde (tolerance) opgeven. In de afbeelding hieronder is te zien wat de tool precies doet. 

Het onderwerp ‘geoprocessing’ komt in verscheidene opleidingen terug. Heb je interesse, kijk dan eens naar één van de volgende opleidingen:

  • Databeheer en analyses in ArcGIS Desktop;
  • What’s new in ArcGIS Desktop;
  • Werken met Modelbuilder;
  • Analyses met vector- en rasterdata.

Een uitgebreide beschrijving van de opleidingen zijn terug te vinden in de opleidingengids van Esri Nederland.

 

Websites:

Opleidingen van Esri Nederland
http://www.esri.nl/opleidingen


Waarom tekent een Query Layer niet in ArcMap of geeft foutmeldingen?

Oorzaak

De onderliggende data voor Query Layers in ArcMap moet aan bepaalde eisen voldoen. Dit document beschrijft waarop je moet letten om tabellen uit een Oracle database als Query Layer te kunnen gebruiken.

Antwoord

Er zijn een aantal mogelijke oorzaken waarom het niet lukt een Oracle Spatial tabel toe te voegen als Query Layer, of waarom de Query Layer niet tekent in ArcMap:

1. De query layer heeft geen of geen geldige Oracle Spatial metadata

Je kunt controleren of er Oracle Spatial metadata is aangemaakt voor de tabel die je wilt gebruiken. Log hiervoor in met SQL op de database als de eigenaar van de tabel en voer de volgende query uit:

SELECT * FROM USER_SDO_GEOM_METADATA WHERE TABLE_NAME=’<TABEL_NAAM>’;

2. De query layer heeft geen ruimtelijke index of de index is niet actueel

Controleer of er een geldige spatial index bestaat voor de tabel:

SELECT INDEX_NAME, COLUMN_NAME, SDO_INDEX_STATUS FROM USER_SDO_INDEX_INFO WHERE TABLE_NAME='TABEL_NAAM';

Levert deze query geen resultaten op, kan de laag niet getoond worden als query layer. Ook als de status “invalid” is, kan de laag niet getoond worden.

Is er wel een spatial index, probeer of het updaten van de index het probleem verhelpt. Het updaten kan op de volgende manier:

ALTER INDEX <INDEX_NAME>  REBUILD;

3. De SRID die gebruikt wordt in de Oracle Spatial Metadata komt niet overeen met de SRID die gebruikt wordt in de features.

Als er een SRID wordt gebruikt in de metadata, moet deze ook gebruikt worden voor de ruimtelijke objecten. Controleer met de volgende query of de SRID in de Oracle Spatial metadata overeenkomt met de SRID van de features in de ruimtelijke kolom die je wilt tonen:

SELECT DISTINCT A.<SPATIAL_COLUMN_NAME>.SDO_SRID FROM <TABLE_NAME> A;

De waarde van de output van deze query (bijvoorbeeld de SRID 28992) moet overeenkomen met de SRID die in de user_sdo_geom_metadata view gebruikt wordt. Controleer de waarde van de SRID in de user_sdo_geom_metadata view door uitvoeren van de volgende query:

SELECT SRID FROM USER_SDO_GEOM_METADATA WHERE TABLE_NAME=’TABEL_NAAM’;

4. Er zitten foute geometrieën in de laag

Als er geometrieën in de laag zijn die niet voldoen aan de Oracle Spatial validation rules, kan het zijn dat er geen data getoond wordt in de Query Layer. Je kunt controleren of een layer voldoet aan de Oracle Spatial validation rules. Log hiervoor in op de Oracle database en voer de volgende statements en queries uit:

CREATE TABLE VAL_RESULTS (SDO_ROWID ROWID, RESULT VARCHAR2(1000));

EXECUTE SDO_GEOM.VALIDATE_LAYER_WITH_CONTEXT('<TABEL_NAAM>','<KOLOM_NAAM','VAL_RESULTS');

SELECT * FROM VAL_RESULTS;

De query toont de ongeldige objecten. Probeer de query layer opnieuw in ArcMap toe te voegen nadat je de ongeldige objecten verwijderd of gecorrigeerd hebt. Je kunt ook op database niveau een view / materialized view aan maken welke alleen geldige objecten bevat, en de view in ArcMap als query layer toevoegen. 

Het is ook mogelijk om de validatie in ArcGIS Desktop te implementeren waarbij er een query vanuit de ArcGIS client wordt uitgevoerd. Door de query kunnen ongeldige features eruit worden gefilterd. Dit wordt alleen bij kleine datasets aangeraden omdat de performance hierdoor achteruit kan gaan. De volgende query binnen ArcMap zorgt ervoor dat er alleen in geldige objecten worden geselecteerd voor de query layer:

SELECT * FROM <TABEL_NAAM> P WHERE SDO_GEOM.VALIDATE_GEOMETRY_WITH_CONTEXT(P.<KOLOM_NAAM>, .001) = 'TRUE'

5. Er zijn meerdere kolommen van type NVARCHAR2 / VARCHAR2(1000) en / of(4000) in te tabel aanwezig.

Dit is niet ondersteund (Probleem is bij Esri Inc. geregistreerd onder NIM067807). Er wordt dan een foutmelding bij het toevoegen van de Query Layer gegenereerd: "Attribute Buffer Size is Too Small". 

Mogelijke workarounds zijn: 

  • Gebruik een ander kolomtype indien mogelijk
  • Voeg maximaal 1 kolom van type NVCHAR toe als je een Query Layer in ArcGIS aanmaakt
  • Indien de ArcSDE software beschikbaar is kan de laag geregistreerd worden met ArcSDE met de sdelayer –o register command. Eventueel moet de ATTRBUFSIZE parameter in de sde.server_config tabel verhoogd worden om de inhoud van de laag te kunnen tonen:

sdeconfig -o alter -v ATTRBUFSIZE=100000

6. De onderliggende database is Oracle 10g Express Edition (XE). Dit is niet ondersteund. Er ligt een aanvraag bij Esri Inc. om Oracle Express Edition in toekomstige versies van de software te ondersteunen (Probleem is bij Esri Inc.geregistreerd onder NIM059848).


Hoe maak ik meerdere polygonen van één multipart polygoon?

Dit kan door gebruik te maken van de tool Multipart to Singlepart. Deze tool is te vinden onder de Data Management tools en is ook te gebruiken voor punten en feature classes.

Multipart polygoon: Singlepart polygoon:

Hier volgt een stappenplan van hoe dit in zijn werk gaat:

Stap 1: Open ArcMap en voeg de multipart polygonen featureclass toe.

Stap 2: Ga in ArcToolbox naar Data Management > Features > Multipart to Singlepart.

Stap 3: Dubbelklik op de tool. In het venster dat nu opent moeten de input features en de output feature class ingevuld worden.

Stap 4: Vul bij Input Features de naam van de multipart ploygonen featureclass in. Browse bij Output Feature Class naar de locatie waar de singlepart featureclass opgeslagen moet worden en geef een naam aan deze nieuwe featureclass.

Stap 5: Klik op OK. Er wordt nu een nieuwe featureclass aangemaakt.

Stap 6: Zet de oude (multipart) featureclass uit. Klik met de identify tool op een polygoon van de nieuwe (singlepart) featureclass.

Let op bij berekeningen met attributen van de nieuwe singlepart featureclass.
Stel: de multipart featureclass heeft het inwonertal van de provincies als attribuut. Bij de multipart featureclass heeft Friesland 1 regel, dus 1 keer het inwonertal. Wordt er nu een singlepart featureclass gemaakt, dan bestaat Friesland uit meerdere polygonen, met ieder een eigen regel in de attribuuttabel. Wanneer je nu Friesland selecteert en het inwonertal berekent, dan is dat veel hoger dan het werkelijke aantal inwoners.

 

 

Analyses & Workflows


Welke versie van Python wordt gebruikt in ArcGIS?

ArcGIS maakt gebruik van een specifieke Python versie. Voor de installatie van ArcGIS moeten oudere versies van Python worden verwijderd.

  • ArcGIS 10: Python 2.6.5 en Numerical Python 1.3.0
  • ArcGIS 10.1: Python 2.7.2 en Numerical Python 1.6.1
  • ArcGIS 10.2: Python 2.7.3 en Numerical Python 1.6.1
  • ArcGIS 10.2.x: Python 2.7.5 en Numerical Python 1.7.1
  • ArcGIS 10.3: Python 2.7.8 en Numerical Python 1.7.1
  • ArcGIS 10.3.1: Python 2.7.8 en Numerical Python 1.7.1
  • ArcGIS 10.4: Python 2.7.10 en Numerical Python 1.9.2

Het gebruik van Python kan foutmeldingen opleveren wanneer eerdere Python versies niet zijn verwijderd. Verwijder in dit geval zowel ArcGIS als Python van uw systeem en voer de installatie van ArcGIS opnieuw uit.


Hoe kan ik een polygoon opdelen met behulp van een bestaande (poly)lijn in ArcGIS 10.0?

Dit kan op twee manieren. Ofwel met behulp van de ‘Cut Polygons Tool’ op de Editor toolbar, ofwel via de ‘Split Polygons’ commando op de Topology toolbar.

Cut Polygons Tool

Deze manier is handig wanneer de mutatie betrekking heeft op enkele polygonen en lijnen:

  1. Start een editsessie (Editor > Start Editing);
  2. Het Create Features window opent, selecteer daarin de polygonenlaag;
  3. Selecteer de polygoon die je wilt opsplitsen met behulp van de Edit tool  ;
  4. Klik op de Cut polygon Tool in Editor toolbar  ;
  5. Rechtermuisklik op de lijn die het vlak moet opsplitsen;
  6. Kies Replace Sketch;
  7. Klik F2 of Finish Sketch

De polygoon wordt opgesplitst door de lijn die er doorheen loopt.

Split Polygons

Wanneer het om een groot aantal lijnen en vlakken gaat kun je beter gebruik maken van de Split Polygons functie op de Topology toolbar. De Split Polygons functie maakt op basis van geselecteerde lijnen en/of polygonen nieuwe polygonen of lijnen aan.

  1. Voeg de Topology toolbar toe (View > Toolbars);
  2. Selecteer de lijnen in de kaart (bijvoorbeeld rechtsklikken op de layer in de TOC > Selection > Select all);
  3. Start een editsessie;
  4. Klik op de ‘Split Polygons’ button  op de topology toolbar;
  5. Kies als ‘Target’ de polygonenlaag waarvan je de features wilt opdelen;
  6. Gebruik de default cluster tolerantie óf stel deze gelijk aan de clustertolerantie van de geodatabase topologie, indien je hiervan gebruik maakt;
  7. Klik ‘OK’

Alle polygonen waar een geselecteerde lijn doorheen loopt worden opgesplitst in losse polygonen.

Let op: Wanneer meer dan twee lijnen elkaar kruisen en hierdoor een gesloten geheel gevormd wordt, maakt de Split Polygons functie hier ook een polygoon van (zie onderstaand voorbeeld). Oplossing: Selecteer alleen die lijnen in de layer waarmee deze situatie niet voorkomt of verwijder achteraf het ongewenste polygoon in een editsessie.


 

Zie ook de ArcGIS 10 Desktop online webhelp.


Hoe kan ik zelf bepalen wat een element in modelbuilder representeert?

Achtergrond

Het is vaak onduidelijk welke in- of output voor een tool een bepaald element in modelbuilder representeert. Veel tools hebben bijv. een featureclass nodig terwijl via het slepen vanuit de TOC feature layers worden gebruikt.

Antwoord

Om meer sturing te hebben op dit soort zaken kan je in onderstaand scherm het aangegeven vakje aanvinken:

Wanneer je vervolgens een element verbindt met een tool verschijnt de onderstaande dialoog:

In dit geval gaat het om de “input point features”. Zoals je kan zien wordt er een onderscheid gemaakt tussen parameters en environment settings. Ook kan hier worden bepaald dat het om een pre-conditie gaat. Een model zal het best werken, op verschillende systemen wanneer ook alle environment settings in het model worden gedefinieerd. Als dit niet gebeurt worden de settings van de huidige ArcGIS omgeving gebruikt. Deze kunnen verschillen van de door het model bedoelde instellingen.


Waarom krijg ik een foutmelding over een script als ik een tool uit de toolbox gebruik?

Op sommige systemen die gebruik maken van Folder Redirection en Roaming Profiles kan een Internet Explorer Script fout optreden op het moment dat je een Geoprocessing tool in ArcToolbox gebruikt. Meestal zie je de fout een aantal maal verschijnen en dan opent de tool. De fout lijkt op de fout hieronder:

Oorzaak

Dit staat bekend als een “known issue” en totdat er een permanente oplossing is, kun je de volgende werkwijze gebruiken (ArcGIS 10.x).

Antwoord

  1. Sluit ArcMap en ArcCatalog;
  2. Download het zipbestand (ver2.zip);
  3. In de zip file staan twee bestanden: MdDlgContent.xsl en MdDlgHelp.xsl. Pak ze uit en bewaar ze op je pc;
  4. Ga in Windows Explorer naar de folder Stylesheets in de ArcGIS installatie folder. Meestal vind je deze hier: C:\Program Files (x86)\ArcGIS10.0\ArcToolbox\Stylesheets;
  5. Hernoem in de folder Stylesheets MdDlgContent.xsl naar MdDlgContent.xsl_old en MdDlgHelp.xsl naar MdDlgHelp.xsl_old;
  6. Kopieer de twee nieuwe bestanden uit het ZIP bestand naar de folder Stylesheets. Zie hieronder voor een voorbeeld. De Geoprocessing tools moeten nu weer zonder fout openen.


Is het mogelijk een model op een bepaald tijdstip te laten starten?

Het is niet mogelijk om een model vanuit ArcGIS for Desktop op een bepaald tijdstip te laten draaien. Wel kan een model aangeroepen worden met of geëxporteerd worden naar een Python script dat op een bepaald tijdstip kan worden gedraaid als Scheduled Task.

Een model aanroepen met een Python script om te draaien als Scheduled Task

Op de Esri Support site staat een technisch artikel over het aanroepen van een model met Python om het te draaien als Scheduled Task: Scheduling a Python script to run at prescribed times.

Ja kan de documentatie over Python syntax te raadplegen om te kijken hoe je python kan gebruiken voor het maken van een script.

Een model exporteren naar een Python script om te draaien als Scheduled Task

Het is ook mogelijk om een model eerst om te zetten in een Python script en daarna het betreffende script te draaien als Windows scheduled task. Om een model te exporteren naar een Python script moet de volgende stappen worden gevolgd:

  1. Klik met de rechtermuisknop het gewenste model aan in ArcToolbox en kies Edit.
  2. In het Model menu, kies Export > To Python Script.
  3. Blader naar de gewenste locatie om het script op te slaan en typ the bestandnaam. Klik op Save.

Om het script te bekijken, navigeer naar de locatie van het bestand in Windows. Klik met de rechtermuisknop op het script en kies Edit. Het script opent met de standaard Python editor, welke is ingesteld in het operating system. Zie Exporting a model to a Python script voor meer informatie.

Er zijn een aantal zaken waar rekening mee moet worden gehouden bij het exporteren van een model naar een Python script, zoals iteraties in een model, dit staat beschreven in de ArcGIS Blog: Considerations when exporting a model to a Python script.

Een Python script draaien als Scheduled Task

Om een Python script dat een model bevat of aanroept op een bepaald tijd te draaien kan Scheduled Task worden gebruikt. Hierbij kan worden ingesteld wanneer en met welke frequentie het model moet draaien.

Op een Unix/Linux operating system kan het draaien van een script worden gepland in de main entry for the cron or crontab commands. Bij een Windows operating system kan het draaien van een script worden ingepland met Scheduled Task, hieronder staat beschreven op welke locatie functie te vinden is op verschillende versies van Windows.

  • Windows 2000 and NT: Start Menu > Settings > Control Panel > Task Scheduler
  • Windows Vista: Start Menu > Control Panel > System and Maintenance > Administrative Tools > Task Scheduler
  • Windows 7 en hoger: Start Menu > Control Panel > System and Security > Administrative Tools > Task Scheduler

Voor meer informatie over Task Scheduler, raadpleeg de Windows Help.

 

Websites:

 

 

Cartografie & Kaartproductie


Hoe los ik 'lekkende' polygonen op bij het printen of exporteren?

Als ik een kaart print, worden mijn losse polygonen één groot vlak (zie onderstaande afbeelding). Hoe komt dat?

 

Antwoord

De data laag met de ingekleurde polygonen heeft beschadigde geometrie, dit veroorzaakt het lekken bij het printen of exporteren.

Dit kun je oplossen door de geometrie te controleren en te repareren:

  1. Verifieer dat er inderdaad beschadigde geometrie in de betreffende data laag aanwezig is. Dit kun je doen met de tool 'Check Geometry' (ArcToolbox > Data Management Tools > Features > Check Geometry). Bekijk de resulterende dbf tabel. Als de tabel gegevens bevat, dan is er beschadigde geometrie in de data laag.
  2. Als de geometry beschadigd is, kun je deze repareren met de 'Repair Geometry' tool (ArcToolbox > Data Management Tools > Features > Check Geometry). Let op: 'Repair Geometry' overschrijft het bestaande bestand, maak daarom eerst een kopie van het bestand, voordat je deze tool draait.

Hoe werken labels en annotaties binnen ArcGIS?

Een kaart bestaat uit zowel geometrische objecten (lijnen, punten en vlakken) als uit teksten. Teksten dienen veelal ter verduidelijking (naam van land, provincie, stad, rivier) maar ze zijn ook in staat om verschillen in belangrijkheid weer te geven, bijvoorbeeld door gebruik van verschillende lettertypes en groottes.

Dit document beschrijft de manieren waarop binnen ArcGIS tekstinformatie in kaarten verwerkt kan worden. ArcGIS kent twee opties om teksten op kaarten te plaatsen: labels als dynamische optie en annotaties als meer statische mogelijkheid om kaarten te printen waarop de labels altijd zictbaar zijn.

Antwoord

Werken met labels is het eenvoudigst en levert het snelste een resultaat op. Een label is niet meer dan een tekst die verwijst naar één of meerdere attributen van een object. Een label wordt in de buurt van het bijbehorende object geplaatst aan de hand van een aantal voorgedefinieerde regels. Zo is het mogelijk om een label op, onder of boven een lijn te plaatsen (zie onderstaande figuur). Ook kan een label behorende bij een relatief belangrijk object de voorkeur krijgen boven het label van een minder belangrijk object.

Wanneer de labels dynamisch geplaatst worden, wordt iedere keer dat het weergeven van de kaart veranderd, door zoom of pan-acties, worden de labels weer opnieuw geplaatst. Ze kennen geen vaste lokatie. In ArcGIS 9.3 kan dit door de lock  knop van de label toolbalk vast gezet kan worden.

Verdere aanwijzingen zijn te vinden in de help Label toolbalk.

Door onder andere de Maplex extensie kunnen de labels op nog meer manieren dan de standaard label engine worden geplaatst. Bijvoorbeeld stack (labels boven elkaar uit verschillende velden) of dynamisch de labels laten verkleinen op plaatsen waar weinig plek is, of de labels de beste plaats te vinden in de kaart.

N.B. De Maplex Label Engine extensie zit staandaard bij een ArcInfo licentie.

Zodra de dynamische labels optimaal zijn benut, kunnen de labels geconverteerd worden naar een annotatie featureklasse. In deze featureklasse kunnen de laatste labels op de juiste plek worden gezet om uiteindelijk de kaart te printen op een bepaalde schaal.

Annotaties

Wanneer teksten op een kaart een vaste lokatie en andere eigenschappen moeten krijgen, kan er met annotaties worden gewerkt. In tegenstelling tot labels zijn annotaties namelijk op zichzelf staande objecten. Ze zijn niet afhankelijk van het object waarop ze ooit gebaseerd waren. Annotaties kennen ten opzichte van labels veel meer mogelijkheden tot bewerking: zo kunnen ze, individueel of in een groep, verschoven of geroteerd worden. Ook kunnen eigenschappen als font, grootte en kleur aangepast worden.

Annotaties kunnen zelfs in zelfbedachte bochten gewrongen worden:

Het aanmaken van annotaties verloopt in twee stappen: eerst moeten labels aangemaakt worden, daarna kunnen via de layer properties interfaces de annotaties aangemaakt worden.

In de interface kunt u kiezen tussen het plaatsen van de annotaties in het kaartdocument (In the map) en het opslaan in een Geodatabase (In a geodatabase).

Bij annotaties in een Geodatabase zijn er twee opties:

  • Ze zijn onafhankelijk van de objecten waar op ze gebaseerd zijn;
  • Ze zijn deels afhankelijk van de objecten waar op ze gebaseerd zijn (Feature Linked).

‘Feature Linked’ annotatie is een annotatie waarbij een koppeling blijft bestaan tussen de annotatie en het object waarop ze gebaseerd is: verwijder het object en de annotatie verdwijnt. Maar ook: pas de attribuutwaarde van het object aan en de annotatietekst verandert mee.

Als u annotaties in een Geodatabase maakt op basis van een Shapefile, moet u onder Annotation Feature Class via het mapje de juiste database aanwijzen. Bij een geodatabase featureklasse wordt de annotatie laag automaitsch in de geodatbase geplaatst waar de featureklasse uit komt. Daarna kan de annotatie aanmaken door te klikken op Convert:

Als de annotatie is aangemaakt met de optie ‘In the map’ kan hij aangepast worden door middel van de Drawing werkbalk:

Annotaties opgeslagen in een Geodatabase gedragen zich meer als objecten in een kaartlaag. Voor wijzigingen aan de annotatie gebruikt u de Editor werkbalk. De annotatie werkbalk biedt nog uitgebreidere mogelijkheden. Kijk voor meer informatie in de Help van ArcGIS. Als u bij Index zoekt op ‘annotation’ vindt u verschillende pagina’s die u helpen uw annotatie te bewerken.


Is er een manier om de standaard tekenvolgorde van ArcMap te omzeilen?

Een voorbeeld:
Bij een kaartlaag met verschillende wegen kan de symbologie van verschillende wegtypes in elkaar overgaan om verbindingen aan te geven. Andere wegtypes -waarmee een brug of viaduct aangegeven kan worden- kunnen tegelijkertijd duidelijk over elkaar heen lopen.

Antwoord

Met het gebruik van symbol levels kan de volgorde van het plaatsen van symbolen bepaald worden. Hiermee wordt voorbijgegaan aan de default ArcMap teken volgorde. Op het moment dat symbol levels in gebruik zijn, wordt de tekenvolgorde van de features gebaseerd op het symbool van de feature. Symbol level eigenschappen kunnen voor elke feature layer of voor een group layer aangemaakt worden. Ander voordeel van gebruik van symbol levels is dat er bepaalde speciale cartografische effecten bereikt kunnen worden door de tekenvolgorde van multilayer symbols te bepalen.

Hoe zet je symbol levels aan?

  • Rechtsklik op de layer of group layer waarvoor je symbol levels wil gebruiken en klik vervolgens op Properties;
  • Klik bij een layer in de Symbology tab op de Advanced button en vervolgens op Symbol levels. Bij het werken met een group layer klik je in de group tab op de Symbol level knop;
  • Vink “Draw this layer using the symbol levels specified below” aan;
  • Klik op OK.

Zie ArcGIS online help voor een uitgebreidere toelichting met tekeningen en omschrijving van de mogelijkheden: Working with symbol levels.


Hoe kan ik geavanceerd labelen in ArcGIS, bijvoorbeeld op basis van een labelklasse en labelexpressie?

Antwoord

Voorbeeld 1: Labelen op basis van klassen (door middel van SQL queries)

Via het 'Properties' scherm van de kaartlaag gemeenten kan er in ArcMap bepaald worden uit welke kolom er informatie als label op de kaart moet worden getoond. Met behulp van een aantal extra handelingen kan er meer informatie op de kaart getoond worden en zouden de labels er verschillend uit kunnen zien.

Kies in het Properties scherm voor de methode Define classes of features and label each class differently:

Er kan vervolgens met de 'Add' knop een klasse worden gemaakt, bijvoorbeeld de “Grote gemeenten” en hierna kan met behulp van de SQL Query knop een bevraging worden gemaakt waarmee de grote gemeenten worden gedefinieerd. (Bijvoorbeeld; “AANTINW” > 100000).

Voor deze eerste klasse kan nu een lettergrootte en lettertype worden gekozen.

Maak vervolgens een tweede klasse aan, de kleine gemeenten (“AANTINW” < 100000) en geef deze met een andere kleur/lettertype/lettergrootte weer. Vink vervolgens -bij Label features in this class- de 'Default' klasse uit en druk op Apply.

De labels zouden er als volgt uit kunnen zien:

Voorbeeld 2: Labelen op basis van klassen (op basis van symboolklassen)

De vorige wijze van labelen was op basis van SQL Queries, de volgende manier van labelen is op basis van al bestaande symbologieklassen, aan de hand van een voorbeeld met een wegen kaartlaag (fictieve_wegen), met daarin een kolom met de naam [Verharding].

De kaartlaag wordt allereerst door middel van Unique Values (het Symbology tabblad) in een aantal klassen gesymboliseerd. In dit geval gebruiken we het verhardingstype ('Verharde weg', 'Onverharde weg' en als laatste de klasse 'Onbekend').

De labels kunnen per verhardingstype ook op een andere manier worden getoond. In het Labels tabblad, kies weer voor de optie 'Define classes of features and label each class differently'. Kies nu de Get Symbol Classes knop. De klassen bij de symbologie worden nu als labelklassen toegevoegd.

Per klasse kan er nu worden aangegeven wat voor label er voor welke klasse moet worden getoond.

Bijvoorbeeld; 'Verharde weg', met lettertype Arial, lettergrootte 10, in de kleur rood, 'Onverharde weg' met lettertype Arial, grootte 8 en in het zwart en 'Onbekend' eveneens in Arial, grootte 8, maar nu in het grijs.

Voorbeeld 3: Het plaatsen van een dubbel label

Met behulp van enkele begrippen uit de programmeeromgeving VBScript kan een dubbel label op de kaart worden geplaatst. We gebruiken hiervoor een voorbeeld punten kaartlaag met daarin plaatsgegevens. Van iedere plaats willen we de plaatsnaam zien plus de provincienaam (uit een andere kolom) op een nieuwe regel.

Klik op de “Expression…” knop.

Typ vervolgens deze expressie in:

[Naam] & VbNewLine & [Provincie]

  • Het “&” teken wordt gebruikt om aan te geven dat er nog een stukje informatie volgt;
  • Het woord “VbNewLine” wordt gebruikt om dat datgene dat volgt op een nieuwe regel te zetten.

Klik eventueel op “Verify” om er zeker van te zijn dat er geen schrijf of typefout in de expressie zijn gemaakt.
Met “Load” en “Save” kunnen veel gebruikte expressies worden opgeslagen en worden hergebruikt. De fictieve dataset bevat enkele expressies die als voorbeeld kunnen worden geladen.

Het resultaat is een dubbel label met zowel de plaatsnaam als de provincie naam:

Voorbeeld 4: Het gebruik van VBScript in een label

Verwijder de expressie uit de vorige stap. Er wordt op basis van een kolom gelabeld, dus het “Label Field” kan gewoon op [Naam] blijven staan, maar er wordt wederom een Expressie gebruikt.

Druk weer op de “Expression” knop en vink nu de “Advanced” optie aan; de volgende regels code verschijnen:

We gaan binnen de kolom naam een en ander vervangen dus we gebruiken de fucntie Replace om “a/d” te vervangen voor iets kleiners (het subschrift).
Pas de bestaande regels code op de volgende wijze aan:

Function FindLabel ([Naam])
FindLabel = Replace ([Naam],"a/d","<SUP>a</SUP>/<SUB>d</SUB>")
End Function

Het Expression Verification venster laat zien dat de expressie juist is, maar toont nog niet de aangepaste labels op de kaart. Dat gebeurt op het moment dat u de dialoogvenster met Apply of OK bevestigt.

Het resultaat is een label dat er als volgt uitziet:

Met behulp van de Help knop kan andere voorbeeldcode worden bekeken die met copy/paste kan worden gebruikt als expression.


Hoe kan ik symbolen beheren in ArcGIS?

ArcGIS ondersteunt heel veel symbolen. Hoe kan ik die beheren? Hoe maak ik zelf een symbool?

Antwoord

ArcGIS bevat een grote hoeveelheid voorgedefinieerde symbolen, verdeeld over een dertigtal stijlen (styles). Een stijl is te vergelijken met een line-, shade- of markerset in ArcInfo workstation of een legend file in ArcView GIS.

Een groot aantal symbolen bestaat dus al (vele duizenden), maar natuurlijk ontbreken er altijd nog specifieke symbolen, het logo van een organisatie bijvoorbeeld. Het aanmaken van symbolen binnen ArcGIS kan op twee manieren uitgevoerd worden. De interfaces in beide methoden zijn hetzelfde. Het verschil tussen beide methoden zit hem echter in manier waarop de symbolen worden opgeslagen:

De eerste methode werkt via de symbology properties in ArcMap: Layer > Properties > Symbology > Symbol > Edit Symbol. Deze methode heeft echter het nadeel dat het symbool alleen in het huidige kaartdocument opgeslagen wordt. Indien het symbool vaker gebruikt zal gaan worden op meerdere werkplekken, dient het binnen een stijl aangemaakt te worden. Zo’n stijl kan na aanmaken gedistribueerd worden.
Het beheren van stijlen verloopt via de Style Manager in ArcMap: Customize > Style manager.

Als de Style Manager wordt gestart en een willekeurige stijl wordt bekeken, valt direct iets op: een ArcGIS stijl bestaat niet uit een enkel type symbologie zoals symbolensets in ArcInfo Workstation of een legend in ArcView GIS. In een stijl kunnen zich ook lijn-, vlak- en puntsymbolen en zelfs noordpijlen, kaartruitennetten en schaalbalken bevinden.

In ArcGIS is alle symbologie bijeengevoegd in een logisch object. En dit logische object bestaat ook weer uit één fysiek object, één file met de extensie *.style (een *.style file is, evenals een personal geodatabase, in werkelijkheid een Microsoft Access database).

In het volgende voorbeeld wordt het aanmaken van een puntsymbool op basis van een bestaande plaatje (een graphic opgeslagen als een bestand in bitmap-formaat) beschreven. Zo’n punt symbool kan niet alleen gebruikt worden om punten te symboliseren maar kan ook gecombineerd worden met een lijnsymbool of kan als basis dienen voor een vlakvulling.

  • Start de Style Manager, open de stijl onder het Windows gebruikersprofiel en selecteer "Marker Symbols". In het rechter venster staan eventueel reeds aangemaakte symbolen.
     
  • Klik in het rechter venster met de rechter muistoets > New > Marker Symbol en de Symbol Property Editor wordt gestart:
  • Kies in de "Type" drop-down lijst voor "Picture Marker Symbol"

    Twee bestandsformaten worden ondersteund, een bitmap en een vector formaat:
    • BMP: Bitmap formaat;
    • EMF: Enhanced Meta File, vector formaat.

      Het EMF formaat is een belangrijke optie voor degenen die ArcInfo Workstation symbologie wil converteren naar ArcGIS symbolen. ArcInfo Workstation kent namelijk de mogelijkheid om het EMF formaat te exporteren. Een workflow voor de export / import van een ArcInfo symbolset zou zijn:
      • Exporteer de symbolen uit een markerset naar individuele plaatjes (commando: FONTDUMP screen);
      • Converteer de output naar bestanden in EMF formaat (commando: EMF).
  • Nadat het juiste plaatje gekozen is, kan nog een aantal instellingen worden aangepast:
    • De grootte;
    • De hoek waaronder het plaatje wordt getekend;
    • De x en y offsets
      Deze instellingen bepalen de standaard visualisatie instellingen. Achteraf kunnen deze instellingen nog worden veranderd.

      Een belangrijke instelling voor multi-byte bmp bestanden is de "transparant color", dit is de kleur in het plaatje die niet getoond zal worden. Als de achtergrondkleur van het plaatje wit is en de kleur wit wordt als "transparant color" gekozen, zullen de andere objecten en symbolen in de kaart "achter" het symbool langs doorlopen. Wordt geen of de verkeerde achtergrondkleur gekozen dan "eindigen" de andere symbolen en objecten aan rand van de rechthoek van het plaatje. In het volgende voorbeeld is voor de onderste vier symbolen de juist achtergrondkleur gekozen, bij het bovenste symbool (raceauto) is de verkeerde kleur gebruikt.

      Na de achtergrondkleur correctie:
  • Als het symbool eenmaal is aangemaakt, moet het nog een naam krijgen. Vanaf dat moment staat het symbool opgeslagen op de harde schijf.

Een volgende stap is dan het distribueren van het symbool. Dit gebeurt eenvoudigweg door de betreffende *.style file te kopieren. Deze file is volkomen stand-alone. Dit wil zeggen dat het oorspronkelijk BMP of EMF bestand dat voor het symbool werd gebruikt niet mee hoeft te worden gedistribueerd. De ontvanger kan de style bewaren op schijf en activeren via de: Styles > Add Style to List knop in de Style Manager.

Het is verstandig om het stijl bestand zo "schoon" mogelijk te houden, niet gebruikte of mislukte symbolen kunnen het beste weer snel verwijderd worden. Anders wordt de style file als snel heel groot. Er zijn zo ongeveer dertig standaard stijlen aanwezig binnen ArcGIS, het activeren van meerdere stijlen kan negatieve invloed hebben op de performance van de software. Houd het aantal actieve stijlen daarom beperkt. Als je regelmatig symbolen uit veel verschillende stijlen gebruikt, dan is het verstandig om deze symbolen te verplaatsen naar één enkele stijl die je eventueel zelf voor dat doel kunt maken in de Style Manager met Styles > Create New Style. Symbolen zijn simpelweg te verplaatsen via copy / paste functionaliteit in de Style Manager.

Met de ArcMap Advanced Settings Utility AdvancedArcMapSettings.exe, te vinden in C:\Program Files\ArcGIS\Desktop10.2\Utilities is een andere dan de standaard folder voor styles –C:\Program Files\ArcGIS \Desktop10.2\Styles- in te stellen. Deze utility vereist lokale administrator rechten om wijzigingen in instellingen te kunnen bewaren.


Hoe voeg ik 'tags' (dynamische teksten) toe, en welke tags zijn er?

Wanneer je een layout maakt, kun je een aantal eigenschappen (bijvoorbeeld de naam van de kaart) automatisch toe laten voegen als 'dynamische tekst' (een zogenaamde 'tag'). Welke tags zijn beschikbaar, hoe voeg je deze toe aan de kaart?

Antwoord

Een dynamische tekst is een tekst in de kaart layout, die automatisch aangepast wordt op basis van de eigenschappen van de mxd, het data frame of de Data Driven pagina. Een aantal tags kun je opvragen bij Insert > Dynamic Tekst (zie screenshot), maar je kunt ze ook zelf aanmaken.

 

Er zijn een aantal soorten dynamische teksten, die je kunt gebruiken:

  1. MXD Document;
  2. Data Frame;
  3. Data Driven Pages;
  4. Datum en tijd;
  5. Computer- en gebruikersnaam.

1. MXD Document

De eigenschappen van het mxd document kunnen in de kaart gezet worden. Allereerst moeten deze eigenschappen ingevuld worden. Ga hiervoor naar File > Map Document Properties… Alle velden die hier ingevuld kunnen worden, hebben een bijbehorende tag. Als je bijvoorbeeld de naam van de auteur als dynamische tekst wilt gebruiken, vul hem dan eerst in bij de Map Document Properties, zoals in onderstaand screenshot:

 

Nu kun je dit invullen in een tekst veld. Een voorbeeld hiervan is: 'Datum opgeslagen: <dyn type="document" property="date saved" format="dd-MM-yyyy" />, door <dyn type="document" property="author" />.'.

 

Dit geeft als resultaat op de kaart:

Datum opgeslagen: 30-05-2011, door Irene.

2. Data Frame

Voor een dataframe geldt hetzelfde: ook hierbij moeten eerst de eigenschappen ingevuld worden, voordat ze in de kaart gebruikt kunnen worden.

 

Als je nu de volgende tekst opgeeft: 'Kaart aangeleverd door: <dyn type="dataFrame" name="Bodemkaart" property="Credits"/>', dan krijg je het volgende resultaat:

Kaart aangeleverd door: Afdeling Bodem

3. Tags in Data Driven Pages

Vanaf ArcGIS 10 kun je kaartseries maken met behulp van 'Data Driven Pages'. Hiermee kun je bijvoorbeeld een kaartopmaak maken voor één provincie, en die dan vervolgens voor alle provincies uitdraaien.

Meer uitleg over het aanmaken van Data Driven Pages vind je hier.

Om gebruik te maken van Data Driven Pages, moet je eerst de Data Driven Pages toolbar aanzetten, en op de knop 'Data Driven Page Setup…' klikken.

Je kunt nu in de layout view een dynamische tekst toevoegen, door op 'Page Text' te klikken.

 

Hier heb je drie opties: 'Data Driven Page Name', 'Data Driven Page Number' en 'Data Driven Page With Count'. Klik je op bijvoorbeeld 'Data Driven Page Name', dan verschijnt er een tekstveld. Als je hier met de rechtermuisknop op klikt, en kiest voor Properties, dan zie je als tekst: <dyn type="page" property="name"/> (deze tags kun je ook invoegen door Insert > Dynamic Tekst te kiezen).

Dit tekstveld kun je aanpassen naar eigen behoefte, bijvoorbeeld: 'Dit is pagina <dyn type="page" property="number"> van <dyn type="page" property="count">: de kaart "<dyn type="page" property="Name">"! '.

De output op de kaart is nu:

Dit is pagina 3 van 8: de kaart "Hoofdvaarwater C"!

Deze tekst wordt automatisch aangepast, als je naar de volgende kaart gaat:

Dit is pagina 4 van 8: de kaart "Hoofdvaarwater D"!

Het is ook mogelijk om de attributen van de index layer van je Data Driven pages als dynamische tekst in je kaart te zetten. Om de inhoud van bijvoorbeeld het attribuut 'TypeVaarwater' in de layout te zetten, voeg je de volgende dynamische tag toe: <dyn type="page" property="TypeVaarwater" />. Het is zelfs mogelijk om data uit een tabel, die gejoined is aan je index layer weer te geven. In dit geval moet je wel de naam van de tabel voor het attribuut zetten, gescheiden door een punt: <dyn type="page" property="GejoindeTabel.ExtraAttribuut" />

4. Datum en tijd

De datum wordt weergegeven met <dyn type=”date”/>. Deze datum wordt weergegeven als "8/26/2010'. Het formaat van de datum kun je aanpassen, bijvoorbeeld '<dyn type=”date” format=”d/MM/yyyy”/>' geeft de datum weer als '26/08/2010'.

De tijd kun je toevoegen met <dyn type=“time”/>. Deze datum wordt weergegeven als “04:30 PM”. Ook dit formaat kun je aanpassen, bijvoorbeeld '<dyn type=”time” format=”H:mm”/>' geeft de tijd weer als '16:30'. Meer informatie over het weergeven van datum en tijd kun je vinden in de help bij 'Working with dynamic text', zie de paragrafen 'Working with date dynamic text' en 'Working with time dynamic text'.

5. Computer- en gebruikersnaam

De computernaam kun je als volgt toevoegen: <dyn type=”computer”/>. De gebruikersnaam heeft de volgende tag: <dyn type=”user”/>.

Overzicht van handige links:

Working with dynamic text. Hierin wordt uitgelegd hoe je een dynamische tekst toevoegt, welke tags er zijn, en hoe je datum en tijd weergeeft.

What are Data Driven Pages. Hierin wordt uitgelegd wat Data Driven Pages zijn, en hoe je er mee werkt.

Als je werkt met Data Driven Pages, is het soms handig om op je kaart aan te geven aan welke kaarten je pagina grenst. Deze url legt uit, hoe je dat moet doen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de tool 'Calculate Adjacent Fields' (ArcToolbox > Data Driven Pages > Calculate Adjacent Fields).

 

Websites:


Wat moet ik doen als bij het opstarten van een mxd de foutmelding ‘Label Engine Unavailable’ verschijnt?

Bij het gebruik van de Maplex Label Engine worden de labelinstellingen in het mapdocument opgeslagen. Wanneer de Maplex extensie niet beschikbaar is, verschijnt bij het opstarten van het document de melding 'Label Engine Unavailable'. Je kunt dan kiezen om het document af te sluiten of om de labelplaatsing te laten converteren naar de standaard Label Engine.

Oorzaak

Terwijl de extensie wel aangevinkt was, is die nu, na afsluiten van het document uitgevinkt. Mogelijk is dit veroorzaakt omdat de tool 'Tool om extensies vrij te geven bij afsluiten ArcMap of ArcCatalog' op het systeem is geïnstalleerd. Bij het sluiten van een mapdocument worden dan automatisch alle licenties voor een aantal ArcGIS extensies vrijgegeven.

Oplossing

Controleer of er nog Maplex extensie licenties beschikbaar zijn. Mogelijk zijn er gebruikers in de organisatie die deze in gebruik hebben of wordt er een licentie vastgehouden op de licentie server. Laat deze vrijgeven.

Indien op het systeem de bovengenoemde tool geïnstalleerd is verwijder deze van het systeem.
Om te controleren of de tool geïnstalleerd is, open je de Component Category Manager door categories.exe in C:\Program Files\ArcGIS\bin te starten. Staat in de ESRI Mx Extensions categorie ‘ShutDownExt.clsShutDownExt’ dan is de tool op het systeem aanwezig.

Draai de UNINSTALL.bat van de betreffende tool om deze te verwijderen of draai het volgende commando vanaf de installatie folder:

REM register components
regsvr32 -u /s .\ShutDownExt.dll

In een nieuwe versie is de tool aangepast. De tool voor ArcGIS 10 geeft alle extensies vrij behalve ArcPad Data Manager en Maplex. Kijk op het ESRI Nederland Resource Center bij ‘Downloads’ voor de nieuwste versie.


Waarom wordt mijn kaart als PDF niet juist getoond bij mijn klant?

Ik heb mijn kaart geëxporteerd en opgeslagen als PDF met een mooi resultaat. Bij de klant echter, zijn de symbolen anders. Hoe komt dit en hoe voorkom ik dit?

Oplossing

PDF- en EPS-bestanden maken gebruik van dynamische fonts. Deze fonts moeten dus op het systeem aanwezig zijn, willen ze goed getoond worden. De dynamische fonts zijn namelijk verwijzingen naar bestaande fonts. Als het fontbestand niet aanwezig is, zien de symbolen er dus anders uit.
Om de PDF te laten tonen op een PC, zonder de fonts te installeren, moet je gebruikmaken van fonts gedownload als soft fonts. Het is mogelijk om dit in de printer properties in te stellen. In ArcGIS is er echter ook een makkelijke oplossing voor: 'embed fonts'.
Dit is aan te zetten in de Map Export options op het tweede tabblad (Format). Vink hier 'Embed all document fonts' aan (zie screenshot hieronder). Nu is afgedwongen dat het gebruikte font ook echt gebruikt wordt. Het exportbestand wordt wat groter, maar de PDF ziet er bij de klant ook fantastisch uit.

 

 

GIS-fundamenten 


Wat is het verschil tussen de verschillende opslagformaten van afbeeldingen?

Wat zijn zoal de verschillen tussen de opslagformaten die gebruikt worden voor het opslaan van afbeeldingen? Waarom is het ene formaat kleiner dan de ander en hoe komt het dat sommige veel sneller zijn dan de ander?

Er zijn nogal wat verschillen tussen de diverse opslagformaten van afbeeldingen. Dit heeft te maken met nieuwe technieken die ontwikkeld worden en ook met het gebruik van de bestanden. Zo wordt met name voor hele grote raster bestanden het MrSid formaat gebruikt, maar is voor foto’s nog steeds JPEG populair.

In de onderstaande lijst staat de basisinformatie vermeld over de meest gebruikte bestandsindelingen van afbeeldingen. Bij ieder formaat wordt ook een doorverwijzing gegeven waar aanvullende informatie te vinden is.

JPEG-formaat

Met de afkorting JPEG (spreekt uit als: jee-peg) wordt een bestandsindeling aangeduid voor het opslaan van afbeeldingen in digitale vorm. Het is een vorm van datacompressie en van broncodering. De naam staat voor Joint Photographic Experts Group.

De JPEG-bestandsindeling kent diverse compressiemogelijkheden. Hoe hoger de compressie des te kleiner het bestand, en des te geringer de beeldkwaliteit. Het kwaliteitsverlies van JPEG valt niet veel op bij foto’s, maar wel bij bijvoorbeeld grafieken, lijnen of letters. Voor dit soort afbeeldingen is de GIF- of PNG-compressie beter geschikt, of de RAW-methode waar de opslag plaatsvindt zonder compressie en het beeld later via geschikte software bewerkt kan worden. Zodoende wordt JPEG veelal gebruikt voor foto’s, bijvoorbeeld gemaakt met digitale camera’s.

Een tekortkoming van de JPEG-bestandsindeling is dat slechts 8-bit per kleur (Rood, Groen en Blauw) mogelijk is en dat er geen mogelijkheid is om een deel van de afbeelding transparant te maken. Sinds 2009 maken de wat duurdere digitale camera's foto's met meer bits per kleur. Ook flatbed scanners kunnen meer dan 8-bit scannen. Doordat de kwaliteit van de apparatuur steeds meer toeneemt, wordt de JPEG-bestandsindeling langzamerhand minder gebruikt.

Een overblijfsel uit de tijd dat het besturingssysteem MS-DOS populair was, is dat de JPEG-bestanden vaak de extensie ‘JPG’ krijgen.

De JPEG-indeling is complex. In tegenstelling tot indelingen als PNG of GIF, wordt niet van een enkel mechanisme gebruikgemaakt, maar wordt een groot aantal stappen na elkaar toegepast om tot het uiteindelijke JPEG-bestand te komen.

GIF-formaat

GIF is een bestandsindeling voor het opslaan van afbeeldingen in digitale vorm.

GIF is de afkorting van Graphics Interchange Format, een grafische bestandsindeling met pixels.

De GIF-bestandsindeling is populair geworden/gemaakt door Compuserve in de jaren tachtig, vanwege de mogelijkheid om grafische informatie over netwerken te versturen. In de jaren negentig is de GIF-indeling overgenomen door ontwikkelaars van het Internet om websites op te luisteren. Tegenwoordig komt het bestand op veel websites en in veel bewegende plaatjes voor.

GIF ondersteunt kleuren, verschillende resoluties, animatie en een transparante achtergrond. Het aantal kleuren in een GIF-bestand is meestal beperkt tot 256 (door het gebruik van 8 bits), die elk wel uit 262.144 verschillende kleuren gekozen kunnen worden. Er zijn echter uitbreidingen die het gebruik van al die kleuren mogelijk maken.

Compressie vindt plaats op basis van de verdeling en het aantal kleuren in horizontale richting. Indien het een afbeelding is met weinig kleuren en met herhalende patronen dan is goede compressie mogelijk en de bestandsgrootte erg klein. Zijn er veel kleuren of is er dithering toegepast dan loopt de bestandsgrootte op en zijn bestandsformaten als JPEG of PNG met 24 bits per pixel veelal een betere optie.

Voor de compressie wordt gebruikgemaakt van de LZW compressietechnologie. Deze technologie is gepatenteerd door Unisys. Hierdoor moesten toeslagen betaald worden voor gebruik van applicaties die deze compressie toepassen (de bewerkingsprogramma’s dus). Dit was een van belangrijkste redenen voor het ontwikkelen van een rechtenvrije grafische bestandsindeling zoals PNG.

PNG-formaat

PNG (spreek uit: pee-en-gee of als Ping) is een bestandsformaat voor afbeeldingen met verliesloze compressie. De afkorting staat voor Portable Network Graphics, maar soms wordt ook het recursieve backroniem PNG's not GIF gebruikt.

Het PNG-formaat is in 1995 in het leven geroepen als alternatief voor het populaire GIF-formaat. Een reden daarvoor was juridisch: GIF-formaat maakte namelijk gebruik van de gepatenteerde LZW-compressie, en de octrooihouder Unisys begon van softwaremakers te eisen dat er betaald moest worden voor licenties om LZW in programma's te mogen gebruiken. Veel open-source-programma's vervingen hun GIF-ondersteuning door PNG. Inmiddels is het octrooi in de meeste landen verlopen.

Daarnaast heeft PNG technische voordelen. Het gebruikt verliesloze compressie, waardoor PNG-afbeeldingen weinig ruimte innemen in vergelijking met ongecomprimeerde formaten zoals BMP en TGA, maar zonder enig verlies van beeldkwaliteit, zoals gebeurt bij bijvoorbeeld JPEG. Ook GIF comprimeert verliesloos, maar ondersteunt maar 256 kleuren (8 bits), terwijl PNG 24 bits ondersteunt. Ook biedt GIF slechts zeer eenvoudige ondersteuning voor transparantie (een kleur kan als transparant worden gebruikt), terwijl PNG gedeeltelijke transparantie ondersteunt middels een alfakanaal. Een PNG-afbeelding kan, net als een GIF-afbeelding, een "palet" hebben. Dit houdt in dat er maximaal 256 kunnen worden gebruikt, maar wat de bestandsgrootte, door het kleinere aantal bits per kleur, extra verkleint. Zo is PNG zowel voor het verliesloos opslaan van afbeeldingen als voor het besparen van geheugenruimte voor simpele afbeeldingen zeer geschikt. Voor grotere afbeeldingen waarin niet alle details volledig aanwezig hoeven zijn - zoals veel foto's - blijft JPEG een goed alternatief. Dit komt omdat JPEG een hogere compressie kan halen.

In een PNG-afbeelding kan voor elke pixel niet alleen een rood-, groen- en blauwwaarde worden opgegeven, maar ook een transparantie (alpha-waarde). Het gevolg hiervan is dat elke pixel een bepaalde hoeveelheid transparantie kan hebben, bijvoorbeeld helemaal doorzichtig of gedeeltelijk doorzichtig met wat rood eroverheen.

Wat vroeger niet kon met PNG, was het ondersteunen van geanimeerde beelden. Tegenwoordig bestaat er APNG of Animated PNG, een PNG-afbeelding die animaties ondersteunt. Reclamemakers ontdekten de animatiemogelijkheden van GIF op het internet rond de tijd dat PNG geïntroduceerd werd, wat de opkomst van PNG, maar vooral het verdwijnen van GIF vertraagde. Tegenwoordig wordt voor bewegende advertenties vaak GIF of Flash gebruikt.

Een ander verwant formaat is JNG, dat JPEG-compressie in een PNG-achtig formaat biedt. Het is vooral ontworpen om te combineren met MNG.

Doordat de veelgebruikte internetbrowser Microsoft Internet Explorer tot en met versie 6.0 het PNG-formaat qua transparantie niet volledig ondersteunt, is het PNG-formaat nog niet zo populair als GIF. Het gebruik van PNG stijgt echter wel, terwijl dat van GIF daalt. Internet Explorer 7 beschikt wel over correcte PNG-ondersteuning. Praktisch elk modern beeldverwerkingsprogramma ondersteunt het PNG-formaat.

MrSID-formaat

MrSID (uitgesproken als Mister Sid) is een acroniem dat staat voor Multiresolution Seamless Image Database, wat zoveel wil zeggen als multiresolutie naadloze afbeeldingsdatabase. Het is een bestandsformaat met de extensie .SID dat ontwikkeld en gepatenteerd is door LizardTech. Het is ontwikkeld voor het opslaan van luchtfoto's met bijbehorende locatie.

MrSID werd oorspronkelijk ontwikkeld voor gebruik met geografische informatiesystemen (GIS), omdat grote afbeeldingen ermee opgedeeld kunnen worden. Er wordt gesteld dat ook voor het internet MrSID een geschikt formaat zou zijn, omdat één bestand meerdere niveaus van kwaliteit en zoom bevat. Bij het bekijken ervan wordt alleen het opgevraagde deel verstuurd, waardoor er minder data wordt gegenereerd.

De maker van het formaat, LizardTech biedt een softwarepakket aan om met MrSID-bestanden te werken, GeoExpress genaamd. Ze bieden ook een gratis browserplugin aan voor gebruik met Firefox en Internet Explorer. Daarnaast kunnen de meeste GIS-programma's en verschillende fotobewerkingsprogramma's (IrfanView) MrSID bestanden openen.

Bij het omzetten naar het mrSID formaat, wordt eerst een lossless compressie toegepast om het bestand te verkleinen. Daarna worden op die afbeelding verschillende manieren van compressie toegepast, die allen in het MrSID bestand worden opgeslagen. Bij het decoderen wordt één van de lagen geopend, waardoor het openen vrij snel verloopt.

BMP-formaat

BMP (een afkorting van bitmap) Het wordt gebruikt door onder andere het grafische subsysteem (GDI) van Microsoft Windows en wordt BMP of DIB (Device Independent Bitmap) genoemd.

BMP-bestanden zijn meestal niet gecomprimeerd, waardoor ze vaak veel groter zijn dan gecomprimeerde grafische bestanden die een plaatje van dezelfde afmeting bevatten. Daar waar datacompressie wordt toegepast in een BMP-bestand, is dat van het RLE-type. Dit comprimeert tekeningen nog enigszins, maar volstaat niet voor foto's. BMP-bestanden in 24 bits-true-color zijn nooit gecomprimeerd.

BMP-bestanden kunnen de volgende indelingen hebben:

  • 1 bit (2 kleuren);
  • 4 bits (16 kleuren);
  • 8 bits (256 kleuren);
  • true-color (RGB, 8 bits per kleur, dus 24 bits per pixel).

Het bestandstype kent een variant voor Microsoft en OS/2.

De bestandsgrootte van een typische afbeelding in true-color-BMP-indeling kan als volgt worden berekend:

bestandsgrootte (in bytes) = breedte (in pixels) * hoogte (in pixels) * aantal bytes per pixel

Dit is exclusief de header en andere overhead. Dus een 800x600-afbeelding beslaat bijna anderhalve megabyte. Hierdoor zijn afbeeldingen in BMP-indeling meestal ongeschikt om te worden verstuurd via het internet of andere relatief trage netwerken.

TIFF-formaat

Tagged Image File Format (TIFF) is een variabele resolutie bitmap-image formaat ontwikkeld door Aldus (nu onderdeel van Adobe) in 1986. TIFF is heel goed te gebruiken voor de opslag van kleur of grijstinten afbeeldingen in de pagina opmaak toepassingen, maar is minder geschikt voor het leveren van web content.

TIFF-bestanden zijn groot en van zeer hoge kwaliteit. Baseline TIFF-afbeeldingen zijn zeer goed draagbaar, ze kunnen de meeste afbeeldings-, desktop publishing en tekstverwerkingpakketten lezen.

De TIFF-specificatie is gemakkelijk uit te breiden, hoewel dit ten koste gaat van haar overdraagbaarheid. Veel toepassingen hebben hun eigen extensies, maar een aantal van de applicatie-onafhankelijke extensies worden erkend door de meeste programma's.

Vier soorten van de baseline TIFF-afbeeldingen zijn beschikbaar: zwart-wit (zwart en wit), grijstinten, palet (dat wil zeggen, geïndexeerd) en RGB (dat wil zeggen, ware kleuren). RGB-beelden kunnen maximaal 16,7 miljoen kleuren weergeven. Palet en grijs-schaal beelden zijn beperkt tot 256 kleuren of tinten. Een gemeenschappelijke uitbreiding van TIFF maakt het ook mogelijk voor CMYK-afbeeldingen.

TIFF-bestanden kunnen wel of niet worden gecomprimeerd. Een aantal methoden kunnen worden gebruikt om TIFF-bestanden, met inbegrip van de Huffman en LZW algoritmen te comprimeren. Zelfs in gecomprimeerde vorm zijn TIFF-bestanden meestal veel groter dan vergelijkbare GIF-of JPEG-bestanden.

Omdat de bestanden zo groot zijn en omdat er zo veel mogelijke variaties van elk type TIFF-bestand zijn, kunnen slechts enkele webbrowsers ze weergeven zonder plug-ins.


Twee snijdende lijnen: wat is het snijpunt?

Achtergrond

In GIS analyses wordt vaak een snijpunt gebruikt om een analyse verder uit te werken.

Antwoord

Twee rechte lijnen hebben in de Euclidische wiskunde de eigenschap dat ze elkaar snijden, wanneer ze niet exact evenwijdig aan elkaar lopen. De kunst bestaat er nu uit, het snijpunt van die twee lijnen te vinden.

Wat weten we over de twee rechte lijnen? We weten daarover dat ze een begin- en een eindpunt hebben, we weten dus twee coördinaten per lijn.
Die in totaal vier coördinaten geven ons de mogelijkheid het snijpunt te vinden, om de coördinaten van dat snijpunt te bepalen.

Een rechte lijn kent een standaard vergelijking:

y = ax + b

Voor elke lijn weten we twee coördinaten, die we kunnen invullen in deze formule:

y1 = ax1 + b
y2 = ax2 + b

En met een beetje omschrijven volgen daar a en b uit:

a = (y1-y2)/(x1-x2)
b = y1 – ax1

En dat zo natuurlijk voor beide lijnen. Die twee lijnen snijden elkaar ergens, dus ergens is er een punt (x,y) waarbij beide vergelijkingen opgaan:

y = a1x + b1
y = a2x + b2
x = (b2-b1)/(a1-a2)

En y volgt dan uit het invullen van x in een van beider lijnvergelijkingen.

Het hele snijpunt is dan bepaald, de GIS analyse kan hier mee aan de slag.

Had je nu een polyline, dus niet twee coördinaten maar een hele verzameling coördinaten die tezamen een polyline vormen? Dan moet je dit vraagstuk iedere keer voor twee opvolgende coördinaten herhalen.
Bepaal per twee coördinaten het snijpunt tussen de twee lijnen. Ligt het gevonden snijpunt tussen de twee broncoördinaten in? Dan snijdt de opgegeven lijn daar de polyline.

Valt het snijpunt buiten de twee punten? Dan ligt het in het verlengde van het lijnstuk, maar niet op de polygoon. Dan moet de procedure worden herhaald voor de volgende twee coördinaten, net zolang totdat een snijpunt wordt gevonden.


Hoe hebben lijnen, punten en vlakken zich in GIS ontwikkeld?

De Esri software is al sinds het begin, sinds de introductie van ARC/INFO in 1981, opgebouwd rond deze drie basisvormen. De eerste twintig jaar, toen het vlaggenschip bestond uit het programma dat nu ArcInfo Workstation heet, stonden de punten, lijnen en vlakken al centraal. Maar wel op een andere manier dan tegenwoordig. Deze drie entiteiten waren eigenlijk uitsluitend datastructuren, die konden worden getoond, gemanipuleerd en opgeslagen voor later gebruik.

Het tonen van deze vormen, het bewerken en analyseren, alsmede het bewaren ervan voor later gebruik, vond plaats met behulp van uit de UNIX wereld afkomstige, kleine, krachtige softwareroutines, die elk uit één enkel, of hooguit een paar rekenalgoritmes waren opgebouwd. De data enerzijds en het daarvan verwachte gedrag anderzijds waren strikt van elkaar gescheiden.

De punten, lijnen en vlakken bevatten in het ArcInfo Workstation systeem alleen maar informatie over zichzelf, niet over eventuele gerelateerde vormen. In de gebruikelijke modellering van de tweedimensionale wereld bestaan vlakken uit een of meer (aaneengesloten) lijnen, en bestaan lijnen uit twee of meer punten. Het zou dus handig zijn om aan een vlak rechtstreeks te kunnen vragen uit welke lijnen het bestaat, c.q. aan een lijn te kunnen vragen uit welke punten die bestaat, en welke eigenschappen deze lijnen en punten dan hebben.

De manier waarop de zaken in ArcInfo Workstation zijn vormgegeven, maakt dat echter onmogelijk. Iedereen die wel eens serieus met Workstation aan de gang is geweest, weet welke trucs er nodig zijn met de PAT’s en AAT’s om alle vragen te beantwoorden die betrekking hebben op relaties tussen de lijnen, punten en vlakken.

In de loop van de jaren ’80 en ’90 is in de softwarewereld langzaam maar zeker een nieuwe modelleringwijze van de werkelijkheid in zwang gekomen, die enerzijds beter aansloot op deze werkelijkheid, maar die anderzijds ook de mogelijkheid bood om beter gerelateerde objecten op te roepen en te bevragen.

De term voor deze nieuwe aanpak is “objectoriëntatie”. Objectoriëntatie maakt het mogelijk om lijnen, punten en vlakken niet als simpele datastructuren te modelleren, maar als objecten die een veel nauwere relatie hebben met de dingen op het aardoppervlak die ze vertegenwoordigen.

In 1992 werd ArcView gelanceerd en in 1996 kwam MapObjects op de markt. Deze beide GIS producten namen voor wat betreft hun technologisch fundament al een voorschot op deze nieuwe aanpak, maar het hoofdproduct, ArcInfo Workstation, bleef qua technologie onveranderd.

In 1999 werd door Esri een nieuw pakket geïntroduceerd als opvolger van zowel ArcInfo Workstation als ArcView. Het nieuwe product kreeg de naam ArcGIS. Hierin zijn punten, lijnen en vlakken (en overigens ook alle andere datatypen) gemodelleerd als objecten. De objecten heten respectievelijk: Point, Polyline en Polygon. Deze nieuwe vormgeving bracht een aantal belangrijke verbeteringen met zich mee. In dit verband zijn de twee belangrijkste verbeteringen:

  1. De objecten bevatten niet alleen maar data, maar ook gedrag;
  2. Het is nu mogelijk om tijdens bewerkingen en analyses rekening te houden met hiërarchische relaties tussen objecten.

Ad 1. Het eerste punt houdt in dat lijnen, punten en vlakken in ArcGIS niet alleen informatie over hun locatie bevatten, maar op basis van deze informatie ook acties kunnen uitvoeren. Een aantal voorbeelden:

  • Een punt kan zichzelf in een willekeurige grootte, vorm of kleur op het computerscherm of op een blad papier tekenen;
  • Een vlak kan zichzelf projecteren naar een bepaalde projectie;
  • Een vlak kan zijn intersectie met een ander vlak zelf bepalen;
  • Een lijn kan de afstand van een van zijn punten tot een van de punten van een andere lijn bepalen.

Deze voorbeelden maken duidelijk dat we nu te maken hebben met “slimme” geometrieën, die hun eigen berekeningen en afbeeldingsacties kunnen uitvoeren. Een point-in-polygon berekening is dus in ArcGIS geen aparte routine meer, maar simpelweg een kwestie van een vraag stellen aan de punt of aan het vlak. De punt of het vlak deelt dan vervolgens mee of de punt zich al dan niet binnen het vlak bevindt.

Ad 2. Het tweede punt betekent dat voortaan eenvoudig is uit te vinden uit welke punten een lijn bestaat en uit welke lijnen een vlak bestaat. Elke lijn heeft (en houdt permanent) een relatie met zijn samenstellende punten. Hetzelfde geldt voor een vlak en zijn samenstellende lijnen. In combinatie met de onder punt 1 genoemde, maakt dit het doen van analyses en berekeningen niet alleen een stuk simpeler, maar ook veel flexibeler.


Wat is vervorming?

De aarde is rond. Als je data projecteerd op een plat vlak, wordt de data vervormd. In dit artikel wordt beschreven welke soorten vervormingen er zijn.

Antwoord

In het artikel: 'Wat is een projectie?' kan je lezen dat projecties opdeelbaar zijn in azimuthale projecties, cylinder-projecties, kegel-projecties en overige projecties. Bij die opdeling kijken we naar de vorm van het projectievlak. In deze subparagraaf gaan we projecties opdelen op een andere manier, op basis van de vervorming die ze geven.

Tijdens het projecteren maak je de aarde plat, zodat deze op een kaart of beeldscherm past. Dat plat maken gaat bepaald niet zonder slag of stoot. Je kunt dat proces misschien het beste vergelijken met het plat maken van een sinaasappel. Dat wordt een rommeltje. Met de aarde is dat eigenlijk niet anders. Als je projecteert, dan wordt de werkelijkheid behoorlijk geweld aangedaan. Altijd, zonder uitzondering. Je hebt gelukkig wel een beetje in de hand wat voor soort vervormingen je in het eindresultaat krijgt. En de kunst is om de vervormingen zo uit te kienen, dat de informatie die écht belangrijk is in de kaart wél goed blijft, ten koste van minder belangrijke dingen.

Als de oppervlakte van vlakken heel belangrijk voor je is, dan kun je kiezen voor een oppervlaktegetrouwe kaart, ofwel equivalent of equal-area. Voor statistische kaartjes is dat bijvoorbeeld heel belangrijk. Dat er dan weinig meer van de vorm klopt is minder relevant, zolang de oppervlakten maar correct zijn.

Militairen schieten over lange afstanden, bijvoorbeeld met kanonnen. Dan is het belangrijk wanneer de hoek naar het doel die men in de kaart meet, gelijk is aan de hoek in werkelijkheid. Militairen hebben daarom het liefst een hoekgetrouwe of conforme kaart. Dat de oppervlakte dan weer helemaal fout is, interesseert ze minder. Omdat topografische kaarten met name voor militairen worden gemaakt, zijn de meeste topografische kaarten in de wereld in een hoekgetrouwe projectie uitgevoerd. Overigens, wanneer hoeken kloppen, dan kloppen álle vormen. Een vierkant in het terrein zal ook een vierkant op de kaart worden, want alle hoeken van 90 graden blijven intact. Niet alleen de hoeken, maar alle vormen van objecten zijn op een conforme kaart dus correct.

Sommige projecties houden in beperkte mate afstanden intact. Je kunt een kaart maken die vanuit Rotterdam alle afstanden correct afbeeldt. De richting en de oppervlakte kloppen dan weer niet, maar je weet in ieder geval hoever iets van Rotterdam is verwijderd. Dat wordt technisch een equidistante kaart genoemd.

In de vorige subparagraaf zagen we al een opdeling van projecties in azimuthale, cylinder-, kegel- en overige projecties. Haaks daarop hebben we nu een opdeling in conforme projecties, equivalente projecties en equidistante projecties. Ook hierbij bestaat een vierde groep “overig”. Hierbij is met name het uiteindelijke kaartbeeld belangrijk, ten koste van alle eerder besproken uitgangspunten.

De in Nederland gebruikte afgeleide van de Stereografische kaartprojectie is bijvoorbeeld conform. De in België en Frankrijk gebruikte Lambert projectie is dat ook. De Gauss-Krüger projectie in Duitsland ook al. Ook UTM is conform. Tja, eigenlijk practisch alle “landsprojecties” zijn conform, omdat ze primair voor militairen zijn bedoeld.

En welke projectie gebruikt het GPS-systeem? Dat is een strikvraag. Die gebruikt namelijk helemaal geen projectie. Coördinaten worden daarin als geografische coördinaten bepaald. Ze worden (standaard) helemaal niet geprojecteerd naar een plat vlak toe.


Wat is een projectie? Welke groepen projecties kunnen we onderscheiden?

Posities op aarde kunnen worden vastgelegd op basis van geografische coördinaten, in oosterlengte en noorderbreedte. Die geografische coördinaten zijn daarbij afhankelijk van het datum, dus de definitie van de vorm en de positie van de aarde. Maar daarmee heb je nog geen kaart. Om een kaart te krijgen, moet je naar een plat vlak toe, iets wat met de bolle vorm van de aarde nog niet zo gemakkelijk is. Je moet daarvoor projecteren; een kaartprojectie toepassen.

Een kaartprojectie is eigenlijk niets anders dan een formule om geografische coördinaten om te zetten in X en Y op een plat vlak. Soms is die formule heel erg gemakkelijk, maar meestal zijn het zeer ingewikkelde formules. Soms is er zelfs geen rechtstreekse formule bekend, en moet een projectie iteratief worden doorgerekend. Dat is funest voor mensen, maar zelfs voor computers kan dat nog best een hele kluif zijn.

Een hele simpele projectie is:
X = oosterlengte
Y = noorderbreedte

Je maakt je kaartcoördinaten gelijk aan de ooster-/westerlengte en aan de noorder-/zuiderbreedte. Eigenlijk is dat wat je ziet wanneer je een bestand in geografische coördinaten rechtstreeks opent in ArcGIS. De noord- en zuidpool zijn dan uitgesmeerd over de volledige breedte van de kaart. Antarctica is dan het allergrootste land op aarde. De projectie is zo simpel dat de werkelijkheid wel erg veel geweld wordt aangedaan. En daarom bestaan er ook nog wat spannendere projecties.

Projecties worden vaak opgedeeld in vier groepen: de azimuthale projecties, de cylinder-projecties, de kegel-projecties en als laatste de overige projecties. Die worden nu één voor één doorlopen.

Azimuthale projecties gaan er van uit dat je een plat vlak op de aardbol legt, en geografische coördinaten projecteer je naar dat platte vlak toe. Hierboven zijn de drie theoretische mogelijkheden hiervan afgebeeld. Het bekendste voorbeeld van een azimuthale kaartprojectie is de in Nederland gebruikte Stereografische kaartprojectie, het Rijksdriehoekstelsel.

Cylinder-projecties wikkelen als het ware een cylinder rondom de aarde. Daarna worden de geografische coördinaten op die cylinder geprojecteerd. Daarna knipt de kartograaf de cylinder open, en vouwt het blad uit. Het resultaat is dan een kaart. Hierboven staat daar een afbeelding van. Bekende voorbeelden zijn de Mercator projectie, de UTM projectie en de in Duitsland gebruikte Gauss-Krüger projectie. Ook het Britse nationale coördinaatsysteem gebruikt onder de motorkap een cylinder-projectie.

Kegel-projecties gaan uit van een tot kegel gevouwen blad papier, die als puntmuts op de aarde wordt geplaatst. Projecteer geografische coördinaten naar de kegel toe, knip het blad open en vouw het papier uit: het resultaat is wederom een kaart. Hierboven wordt dat getoond. De bekendste kegel-projectie is de Lambert projectie die wordt gebruikt voor België, Frankrijk en voor de USA.

De vierde groep is “overige”, en eigenlijk hebben ze maar een ding gemeen: je kunt je daar als normaal mens niks meer bij voorstellen. Het is een lange formule die coördinaten genereert, maar hoe dat fysiek en plastisch in zijn werk zou moeten gaan is niet meer te volgen. Het zijn als het ware black-box projectieformules. De bekendste zijn de Robinson projectie, de meeste projecties van Eckert en de Aitoff projectie. Deze projecties komt men nog wel eens tegen in atlassen.


Wat is een geografisch coördinaatsysteem en hoe kan ik het gebruiken?

Uit de Bosatlas kent iedereen vast wel het coördinaatsysteem in graden, waarmee iedere plek op aarde kan worden vastgelegd. Er zijn veel begrippen voor dat coördinaatstelsel. Gemakshalve worden ze hier geografische coördinaten genoemd. Nederland heeft in geografische coördinaten een positie van ongeveer 5 graden oosterlengte, en 51 graden noorderbreedte. Die coördinaten komen voort uit het meten van de hoek in het midden van de aarde, vanaf de evenaar naar boven, tot aan Nederland.

Als je dat zou doen met een grote geodriehoek, dan komt daar een hoek van 51 graden uit. Van boven naar beneden hebben we een handige evenaar die we als uitgangspunt kunnen kiezen voor dit soort metingen, van links naar rechts hebben we die niet. Arbitrair kiezen we de 0-meridiaan daarom maar in Greenwich, al zou elke andere plek in principe net zo goed zijn. De hoek van Greenwich, naar de rotatieas van de aarde, naar Nederland, is vijf graden groot. En dus wonen wij op vijf graden oosterlengte.

Deze coördinaten zijn erg handig. De hele aarde kan daarin worden vastgelegd. Maar die coördinaten hangen wel af van de ellipsoïde en van de datum die je kiest. Want waar ligt de evenaar eigenlijk? En waar is de rotatieas van de aarde? Die zaken liggen vast door de gekozen ellipsoïde en datum. In eerste instantie zou je misschien denken dat geografische coördinaten eenduidig zijn, ondubbelzinnig, maar ze zijn wezenlijk afhankelijk van een gekozen datum, en daarmee dus van de gekozen ellipsoïde.

Als we een grenssteen tussen Nederland en België inmeten in geografische coördinaten op basis van Bessel 1841 en D_Amersfoort enerzijds, en op basis van Internationale ellipsoïde 1924 en D_Belge_1972 anderzijds, dan komen daar behoorlijk verschillende resultaten uit. Op een kaartje van de hele wereld doet dat er niet toe, maar de verschillen kunnen wel oplopen tot zo’n vijfhonderd meter. Voor veel toepassingen is dat een niet te verwaarlozen verschil.

In de Bosatlas kom je een datum bijna nooit tegen. Bij de schaal van de kaarten in die atlas maakt het allemaal niet zo veel uit. Maar voor de meeste toepassingen moet een gekozen datum bij een coördinaat bekend zijn. Anders gebeuren er vreselijke dingen.

Deze coördinaten noemen we hier nu geografische coördinaten, maar er zijn meer equivalenten in omloop. Zo bestaat onder andere: ongeprojecteerde coördinaten, latlong coördinaten, phi & labda, bolcoördinaten, geographic coordinate system (GCS) en geographic projection. Daarmee wordt telkens hetzelfde bedoeld. Laat je daar dus niet te veel door verwarren. In alle gevallen worden posities op aarde aangeduid door middel van een aantal graden ooster- of westerlengte, en door een aantal graden noorder- of zuiderbreedte. En dat dan dus op basis van een bepaald datum, en dat datum is dan weer op basis van een bepaalde ellipsoïde.

Deze geografische coördinaten zijn erg handig om plekken op aarde vast te leggen. Maar voor het tekenen van kaarten zijn ze zeer onhandig. Ze beschrijven coördinaten op een bol, en niet op een plat vlak. Om een fatsoenlijke kaart te tekenen hebben we coördinaten op een plat vlak nodig. Dat gaat mis met geografische coördinaten, want die zijn gedefinieerd op een bol. Om alsnog van die geografische coördinaten een kaart (of afbeelding op het scherm) te maken moeten we ze projecteren.

Extra informatie, hoe is het coördinaatsysteem ontstaan?

Eén van de eerste kaarten met een assenstelsel komt van een volgeling van Aristoteles: De cartograaf Dicaearchus maakte een kaart van de wereld zoals deze toen bekend was en voegde twee referentielijnen, die elkaar kruisten in Rhodos, toe:

Iets later volgde Erastothenes, hij gebruikte dezelfde referentielijnen als Dicaearchus en voegde er zeven aan toe:

Naast het maken van de kaart heeft hij ook, zeer nauwkeurig, de omtrek van de aarde gemeten. Hoe nauwkeurig is niet bekend, aangezien het niet bekend is wat de waarde van de gebruikte eenheid is. Hij zat er in ieder geval niet veel meer dan duizend kilometer naast.

Later kwam er kritiek op de kaart. De referentielijnen waren namelijk arbitrair geplaatst; er werd bijvoorbeeld geen rekening gehouden met de vorm van de aarde. Hipparchus gebruikte zijn kennis van trigonometrie (hij was de eerste die een cirkel in 360 graden verdeelde) om er een patroon in aan te brengen. Afgezien van het feit dat de centrale referentielijnen door Rhodos liepen in plaats van Greenwich is het systeem van Hipparchus gelijk aan de huidige lengte en breedtegraad systeem.
De astronoom Ptolemeus verschoof de centrale referentielijnen naar het westen en het zuiden en probeerde daarnaast wederom de omtrek van de aarde te berekenen. Hij ging echter lelijk de fout in en zat uiteindelijk 12.000 kilometer onder de juiste waarde. Deze fout had grote gevolgen; zijn boeken bleven geruime tijd standaardwerken en de meetfout zorgde ervoor dat Columbus 1.500 jaar later meende dat hij via een korte westelijke route naar India kon varen.

Na Ptolemeus bleef het heel lang stil. Veel belangrijke documenten verdwenen bij de ondergang van het Romeinse rijk en de brand in de bibliotheek van Alexandrië, waar zowel Ptolemeus, Hipparchus als Erastothenes hadden gewerkt. Pas rond 800 AD kwam er weer schot in de zaak. In het Midden-Oosten gingen vertalers, waaronder de Pers Al-Kwarazmi, aan de slag met de oude Griekse teksten.
Vervolgens keerde de stilte terug; vijfhonderd jaar dit keer. De West-Europese middeleeuwse filosofen waren ondertussen weer geïnteresseerd geraakt in de ideeën van Plato en Aristoteles, in het bijzonder de ideeën over “vormen”.

De theorie over de “vormen” betreft bepaalde eigenschappen van objecten. De theorie is vrij abstract en zorgde voor lange en gecompliceerde discussies. Om een van de discussies te verduidelijken, tekende Oresme een diagram dat de snelheid van een vallende bal voorstelde. Op de horizontale as stond de tijd, op de verticale as stond de snelheid aangegeven. Het geheel leek bijna een grafische weergave van een functie, afgezien van het feit dat hij niet uit punten maar uit verticale balken bestond. Veel verder kwam Oresme niet, er bestond nog niet genoeg algebra om veel meer te doen met graden.
Gedurende de volgende driehonderd jaar werd de algebra verder ontwikkeld, de meest beroemde van de ontwikkelaars is René Descartes. Descartes beheerste wiskunde, filosofie en natuurkunde. Nadat hij had bewezen dat hij bestond (“cogito ergo sum”) wilde hij zich bezig gaan houden met natuurkunde. Hij zag er snel vanaf, het was een gevaarlijke tijd voor wetenschappers; Galilei was net in gevangenis gezet omdat hij beweerde dat de aarde niet het middelpunt van het heelal was. Een andere uitdaging vond René Descartes in de combinatie van geometrie en algebra.

Hij bedacht functies om vergelijkingen op te lossen en heeft veel wiskundige conventies vastgelegd. Zo heeft Descartes bepaald dat in functies constanten worden voorgesteld door letters uit het begin van het alfabet en variabelen door letters aan het eind (x,y,z zijn de meest bekende in de GIS wereld). Vanwege zijn nieuwe vindingen en het organiseren van de bestaande kennis van geometrie en algebra wordt hij vaak gezien als de bedenker van het coördinaatsysteem. Het systeem heeft zelfs later zijn naam gekregen: cartesisch stelsel.
De theorieën zijn compleet, alleen de terminologie ontbreekt nog. Termen als coördinaat, coördinaat-as, functie en variabele werden bedacht door Gottfried Wilhelm von Leibniz, een tijdgenoot van Isaac Newton en een student van Christiaan Huygens.


Wat is een datum?

Achtergrond

Met een ellipsoïde kunnen we de vorm van de aarde beschrijven als een wiskundige formule. Maar wat is de positie van de aarde ten opzichte van zo’n ellipsoïde, hoe beschrijven we die positie?

Antwoord

In een ander Technisch Artikel kan je lezen dat een ellipsoïde de vorm van de aarde aanduidt. In deze paragraaf lees je dat een datum die vorm combineert met de vraag: “Maar waar ligt de aarde eigenlijk?”. Een vervelende vraag is dat, met lastige consequenties.
Een datum is werkelijk een lastig begrip. Het slaat niet op tijd (“Op welke datum prikken we een afspraak?”), het slaat niet op gegevens (“Op een 500 GB harde schijf kun je veel data opslaan.”). Het slaat ook niet op een afspraak (“to have a date”), het is een losstaand vierde begrip. In de projectieleer is het meervoud van een datum ook geen data of zoiets, maar “datums”. In het Engels wordt dit begrip ook aangeduid met datum. Net als in het Nederlands is het meervoud datums.

Om het nog ingewikkelder te maken: een datum heeft in de projectieleer verschillende betekenissen. Voorlopig kunnen we echter vooruit met één van die verschillende betekenissen, namelijk dat een datum de vorm plus de positie en de richting van de aarde vastlegt. We kunnen wel ergens een soort afgeplatte bol (een ellipsoïde) in de buurt van de aarde bedenken die de aarde moet voorstellen. Maar die afgeplatte bol moet wel zo goed mogelijk aansluiten bij de aardvormen. Om dat te bereiken, moet die ellipsoïde “in de goede stand staan”. Ook moet ze verschoven worden totdat de juist gekantelde ellipsoïde zo goed mogelijk aansluit bij de aarde. Of in ieder geval bij het gedeelte van de aarde waar je belangstelling naar uitgaat. Als je dat allemaal hebt vastgelegd, dan heb je een datum bepaald.

Het is zeer ingewikkeld om die kanteling en die verschuiving van een ellipsoïde te meten. Ten opzichte van wat zou je dat moeten doen? Er is geen ruimtelijk intergalactisch coördinaatstelsel waarin dat zou kunnen.Er bestaat overigens wel zoiets voor astronomische toepassingen, maar dat wordt hier in ieder geval niet gebruikt. De positie en de kanteling van een ellipsoïde worden in de projectieleer altijd vastgelegd ten opzichte van een ander datum, ze worden altijd relatief vastgelegd. In de praktijk geldt WGS84 als een soort van moederdatum. Ten opzichte van het WGS84 datum worden praktisch alle andere datums ter wereld vastgelegd.

Dat vastleggen gebeurt meestal door middel van zes parameters. De WGS84 ellipsoïde wordt verschoven langs de X-, Y- en Z-as in die ellipsoïde. Vervolgens wordt rondom de X-, Y- en Z-as nog een beetje geroteerd. In de dan bereikte stand en positie wordt de andere ellipsoïde gehangen. Dat bepaalt de positie van het andere datum. En zo worden alle datums vastgelegd ten opzichte van het WGS84 datum.


Wat is een ellipsoïde?

Achtergrond

Om een locatie op aarde goed te beschrijven heb je een wiskundige vorm nodig die de aarde of een deel van de aarde zo goed mogelijk recht doet.

Antwoord

Om een goede kaart te kunnen maken, moet je eerst weten hoe de vorm van de aarde er eigenlijk uit ziet. Voor het jaar 1600 was de algemene gedachte dat de aarde een perfecte bol was (en daarvoor nog dat de aarde plat was, natuurlijk), maar sindsdien weten we dat de aarde is afgeplat aan de polen. Die afplatting is ongeveer twintig kilometer, of 1/300e van de diameter. Dus de straal van de aarde is naar de noordpool toe ongeveer twintig kilometer korter dan naar de evenaar.

Voor kleinschalige kaartjes (kaartjes van de gehele wereld) maakt het niet uit of men uit gaat van een perfecte bol, of van een afgeplatte aarde. Maar voor grootschalige kaarten (topografische kaarten bijvoorbeeld) gaat het negeren van de afplatting van de aarde toch echt wel tellen. Voor de meeste GIS toepassingen is het daarom belangrijk rekening te houden met de afplatting van de aarde.

Natuurlijk is een afgeplatte bol nog steeds een vrij beperkt model van de vorm van de aarde. De aarde is namelijk voorzien van bergen en dalen. Die zie je in een afgeplatte bol niet terug. Voor het maken van kaarten is een afgeplatte bol echter een prima benadering. Daar kunnen we mee uit de voeten.

Zo’n afgeplatte bol heet een ellipsoïde. Ze wordt vastgelegd door middel van de halve lange as (de straal van de aarde van het middelpunt naar de evenaar) en door de halve korte as (de straal van de aarde van het middelpunt naar de noordpool); deze twee assen worden normaal gesproken als respectievelijk “a” en “b” aangeduid. Met deze twee parameters ligt de omtrek van de aarde vast (een ellips en dus geen ovaal). Door deze ellips heel hard rond te draaien rondom de draaiingsas krijg je een ruimtelijke figuur, de ellipsoïde. Eventueel wordt de vorm ook vastgelegd door middel van de parameter “a”, en de parameter “1/f”. Die “1/f” is dan het afplattingsgetal, zo’n 300.

Door de tijd heen hebben verschillende mensen nagedacht over de vorm van de aarde; er zijn veel verschillende ellipsoïden bepaald. Al die ellipsoïden verschillen van elkaar. Enerzijds komt dat doordat de meettechnieken door de tijd beter werden en de vorm beter kon worden bepaald. Anderzijds zijn ellipsoïden soms voor een bepaald stuk van de aarde bedoeld. Een bepaalde ellipsoïde past dan perfect bij bijvoorbeeld West-Europa, maar in Australië klopt er niets van. Ook de oude onnauwkeurige ellipsoïden worden nog veel gebruikt, omdat het veel moeite kost om alle metingen in een gebied om te rekenen naar een nieuwe ellipsoïde. Het is dan eenvoudiger om de bestaande oude definitie aan te houden.

In Nederland en Duitsland gebruiken we de Bessel ellipsoïde uit 1841. In België gebruiken ze de Internationale ellipsoïde uit 1924. Voor GPSmetingen wordt gebruik gemaakt van de WGS84 ellipsoïde. Uit de lange lijst met beschikbare ellipsoïden zijn dit de belangrijkste voor ons.
De Engelse term voor ellipsoïde is ellipsoid of spheroid. Laatstgenoemde slaat eigenlijk op een perfecte bol, maar is door de tijd tevens het jargon voor ellipsoïde geworden.


Hoe kan ik mijn ArcGIS kennis vergroten?

Er zijn een aantal manieren om cursussen te volgen over specifieke onderdelen van de software. Deze zijn gratis, maar vallen in principe niet onder support. Voordeel is dat je deze kan doen wanneer het jou uitkomt en dat het vaak korte trainingen zijn.

Hieronder een overzicht van de meest gebruikte trainingspagina’s.

Tutorials in de Help

ArcGIS Tutorials, zie http://desktop.arcgis.com/en/arcmap/latest/get-started/introduction/arcgis-tutorials.htm of in de Help functie binnen de software als je offline werkt. Zoek dan vervolgens op Tutorial.

Om deze tutorials te kunnen volgen, moet je de tutorial data downloaden. Deze staat in https://my.esri.com en kan gedownload worden door de persoon in de organisatie die de downloads en licenties bijhoudt (bij een Personal Use/Home Use licentie ben je zelf deze persoon). De tutorial data staat bij de ArcGIS for Desktop downloads. Ga naar my.esri.com en log in, ga vervolgens naar My Organization > Downloads > ArcGIS for Desktop [versie] en download de Tutorial Data (ArcGIS Tutorial Data for Desktop) voor jouw versie van ArcGIS for Desktop.

Er zijn tutorials voor ArcGIS for Desktop, extensies voor ArcGIS for Desktop en voor ArcGIS for Server.

Esri Training

Op de Amerikaanse opleidingensite (http://training.esri.com/) staan ook gratis tutorials en webinars. Om gebruik te kunnen maken van deze trainingen is wel een my.esri.com account nodig. Klanten met onderhoud kunnen gratis gebruik maken van een groot deel van de aangeboden trainingen. Je account moet dan gemachtigd worden voor dit doel. Dit gebeurt in my.esri.com en kan gedaan worden door de persoon binnen de organisatie die hier beheerrechten voor heeft. Voor meer informatie hierover kan je terecht bij onze supportafdeling, de accountmanager of opleidingen.

Zie bijvoorbeeld http://www.esri.com/training/main/training-catalog, kies bij 'Popular topics' voor 'Free Training'.

Een voorbeeld van een gratis training is Spatial Analysis and Modeling with ArcGIS Pro, zie http://training.esri.com/gateway/index.cfm?fa=catalog.webCourseDetail&courseid=2932.

ArcGIS.com

Verder staan er ook veel tutorials op http://www.arcgis.com. Zoek bijvoorbeeld naar "Tutorials GeoEvent". Voor deze tutorials hoef je niet ingelogd te zijn op ArcGIS Online.

Github

Ook op Github staan een aantal tutorials. Ga naar http://github.com/esri en zoek op tutorial. Hier vind je ArcGIS Runtime en Maritime Chart Service tutorials. Download de tutorial via Clone of download > Download ZIP.

Videos

Kijk je liever? Ga dan naar http://video.arcgis.com/. Hier kan je via het Transcript meelezen wat er gezegd wordt. Je voert hier zelf geen opdrachten uit maar kijkt steeds naar een uitleg of presentatie.

Om verder te leren, vragen te kunnen stellen over opleidingen of een volledige training te volgen, kijk op http://www.esri.nl/opleidingen/trainingen voor onze trainingen, trainingsvormen, leerpaden, enzovoort. Je kunt ook je accountmanager vragen om samen met jullie te kijken welke trainingen interessant zijn, of bellen naar (010) 217 0700 en in het keuzemenu kiezen voor Opleidingen. Onze collega’s helpen je dan graag verder.

Tot slot als bonus hier nog een link naar de instructies om te leren werken met Survey123, een handige app voor het inzamelen van informatie: https://learn.arcgis.com/en/projects/get-started-with-survey123/