ArcGIS Pro


Toewijzen en beheren ArcGIS Pro licenties

ArcGIS Pro licenties kunnen op twee manieren worden beheerd. ArcGIS Pro licenties worden in de standaardsituatie beheerd via het ArcGIS Online organisatieportaal. De beheerder/administrator van het ArcGIS Online organisatieportaal kan ArcGIS Pro licenties toewijzen aan specifieke gebruikers (named users) van de organisatie. Het is ook mogelijk om de licenties te beheren op dezelfde manier als de ArcGIS Desktop licenties, namelijk als Single Use licenties (autoriseren via ArcGIS Pro) en Concurrent Use licenties (autoriseren via de ArcGIS License Server Administrator = License Manager). Beide methoden worden in dit artikel verder toegelicht.

1. ArcGIS Pro licenties beheren via het ArcGIS Online organisatieportaal

De beheerder/administrator van het ArcGIS Online organisatieportaal kan licenties toewijzen aan ArcGIS Online gebruikers van de organisatie als er is ingelogd op ArcGIS Online (http://www.arcgis.com). Ga naar het tabblad ‘Mijn Organisatie’ en klik vervolgens op de optie ‘Licenties Beheren’. Hier wordt het overzicht getoond van de ArcGIS Pro licenties en extensies waar de organisatie recht op heeft. Onder het overzicht van de licenties is een overzicht te vinden van de named users die lid zijn van de organisatie. Hier is ook te zien aan welke named user al een ArcGIS Pro licentie is toegewezen en welk type licentie dit is (Basic – Standard – Advanced).

Toewijzen licenties

Klik op ‘Licenties Configureren’ achter de naam van een named user om te bepalen welke licentie (met eventuele extensies) moet worden toegekend aan de named user of klik op de reeds toegewezen licentie om een andere licentie toe te wijzen of extensies toe te wijzen. Per named user kan worden bepaald welke licenties hij wel of niet mag gebruiken. Selecteer de licentie die moet worden toegewezen en bepaal of er extensies moeten worden toegewezen. Klik vervolgens op ‘Toewijzen’ om de licenties toe te kennen. Doe dit voor iedere named user die gebruik gaat maken van ArcGIS Pro. In het overzicht van de licenties zal worden bijgehouden hoeveel ArcGIS Pro licenties er zijn toegewezen aan named users en hoeveel licenties er nog beschikbaar zijn.

Het is ook mogelijk licenties toe te wijzen aan meerdere named users tegelijk. Klik hiervoor op de named users die je dezelfde licenties wilt geven. Deze komen vervolgens aan de rechterkant van het scherm te staan. Je kan nu op Configureren klikken om de hele groep tegelijk licenties te geven of te verwijderen.

Ook kan je klikken op ‘Alles Selecteren’, vervolgens komen alle named users aan de rechterkant te staan. Je kan nu op dezelfde manier aan iedereen licenties toekennen of licenties intrekken.

Beheren licenties

Voor de ArcGIS Online beheerder is het mogelijk om licenties van een named user in te trekken of uit te breiden. Klik hiervoor op de licentie die is genoemd achter de gebruikersnaam van de named user. Het scherm dat nu wordt getoond is gelijk aan het scherm dat wordt getoond als er voor het eerst een licentie wordt toegewezen aan een named user, met als verschil dat er nu al een aantal licenties is aangevinkt. Op deze pagina is het mogelijk om licenties aan- of uit te vinken. Klik vervolgens op ‘Actualiseren’ om de wijzigingen definitief te maken. Het is ook mogelijk om alle licenties van de geselecteerde named user in één keer terug te halen naar het licentieportaal door op ‘Alles intrekken’ te klikken.

Het is geen enkel probleem om de ArcGIS Pro licenties van de ene named user naar de andere named user te switchen, hier zit geen limiet aan.

Gebruik

Nadat de licenties zijn toegewezen en de ArcGIS Pro software op de machine van de gebruiker is geïnstalleerd, kan de gebruiker inloggen met zijn named user account. De ArcGIS Pro software kan gevonden worden op my.esri.com > My Organization > Downloads en gedownload worden door personen binnen de organisatie met beheerder rechten op my.esri.com.

2. ArcGIS Pro licenties beheren als Single Use ArcGIS Pro en Concurrent Use ArcGIS Pro licenties

Vanaf de release van ArcGIS Pro 1.2. is het mogelijk geworden om ArcGIS Pro licenties via een andere methode te beheren en de licenties te gebruiken als Single Use of Concurrent Use licenties. Het voordeel van deze manier van autoriseren is vooral van toepassing op het Concurrent kunnen gebruiken van ArcGIS Pro licenties op een zelfde manier als al langer bij ArcGIS Desktop (ArcMap) mogelijk is.

Voordat een ArcGIS Pro licentie als Single Use of Concurrent Use licentie kan worden geautoriseerd, zal de ArcGIS Pro licentie moeten worden omgezet van een named user activatie naar een Single Use of Concurrent Use licentiecode. Een organisatie heeft zoveel ArcGIS Pro licenties als het aantal ArcGIS Desktop licenties dat in actief onderhoud is bij Esri.

Converteren licenties

Om het autoriseren van ArcGIS Pro via het licentiemenu van ArcGIS Pro (Single Use) of de ArcGIS License Server Administrator (Concurrent Use) mogelijk te maken, zal de licentie moeten worden geconverteerd. Ga naar http://my.esri.com en log in als gebruiker met beheerrechten. Ga vervolgens naar het tabblad 'My Organizations’ > ‘Licensing’ > ‘ArcGIS Pro License Allocation’. Hier kan de beheerder de ArcGIS Pro licenties converteren van de ArcGIS Online autorisatiemethode naar een autorisatie middels licentiecodes via ArcGIS Pro (Single Use) of via de ArcGIS License Server Administrator (Concurrent Use). Het aantal Single of Concurrent Use ArcGIS Pro licenties dat kan worden geconverteerd is afhankelijk van het aantal ArcGIS Desktop licenties in actief onderhoud.

Klik op het pijltje onder 'Actions' en selecteer het aantal named user activaties dat moet worden geconverteerd naar ‘Autorisaties’. Klik vervolgens op ‘Convert’ om de omzetting definitief te maken. Nu wordt er een ESU (Single Use) of EFL (Concurrent Use) code gegenereerd. In het onderstaande voorbeeld is gekozen om één ArcGIS Pro for Desktop Advanced – Concurrent Use – named user activatie te converteren naar een autorisatiecode, zodat deze licentie geautoriseerd kan worden in de License Manager en als Concurrent Use licentie gebruikt kan worden.

Het voordeel hiervan is dat hierdoor meerdere gebruikers de licentie kunnen delen, zonder dat de licentie steeds naar een andere named user hoeft worden overgezet. Wel kan, net als bij een Desktop licentie, één gebruiker tegelijkertijd van de licentie gebruik maken. Mochten er dus 5 ArcGIS Pro licenties worden omgezet naar Concurrent Use, dan kunnen er 5 gebruikers tegelijk gebruikmaken van de licenties, enzovoort.

Licenties autoriseren

Concurrent Use

Autoriseer een Concurrent Use licentie in de License Server Administrator. Ga naar het tabblad ‘Authorization’ en kies ‘Pro 1.2.-2.0’. Doorloop vervolgens de stappen (let op: dit zijn dezelfde stappen als een ArcGIS Desktop autorisatie) en rond de autorisatie af. Meer informatie over het autoriseren van een Concurrent Use licentie kunt u vinden in het volgende artikel: Autoriseren ArcGIS for Desktop Concurrent Use.

Start ArcGIS Pro op na het autoriseren van de licentie en klik op ‘Configure your licensing options’.

Selecteer ‘Concurrent Use’ onder 'License type' om een Concurrent licentie te gebruiken.

Voeg de License Server toe in het onderstaande dialoogvenster:

Na het toevoegen van de License Server verschijnen de beschikbare licenties. Selecteer de gewenste licentie en klik op ‘OK’. Vanaf nu kan ArcGIS Pro gebruikt worden.

Single Use

Autoriseer een Single Use licentie in ArcGIS Pro. Open ArcGIS Pro en kies voor 'Configure your licensing options' (onderaan het inlogscherm).

Selecteer 'Single Use' onder ‘License type’ om de Single Use licentie te autoriseren.

Selecteer het licentieniveau en klik op Authorize. Volg de stappen in de autorisatie wizard.

Named user voor online mogelijkheden

Let op dat een ArcGIS Online named user nog steeds vereist is op het moment dat van de online mogelijkheden van ArcGIS Pro gebruik gemaakt gaat worden. Dit geldt voor zowel een Single Use als een Concurrent Use autorisatie.


Hoe kan ik de standaard tekenvolgorde van ArcGIS Pro omzeilen?

Standaard wordt de tekenvolgorde van kaartlagen in het project in het Contents Pane in ArcGIS Pro vastgelegd. De bovenste laag in het Content Pane is ook de bovenste laag in de kaart. Binnen een feature class worden de features getoond in de volgorde waarin ze getekend zijn. Dat betekent dat het nieuwst getekende feature bovenop ligt.

Hoe is deze standaard volgorde te omzeilen?

Met het gebruik van symbol levels kan de volgorde van het plaatsen van symbolen bepaald worden. Hiermee wordt voorbijgegaan aan de default ArcGIS Pro tekenvolgorde. Op het moment dat symbol levels in gebruik zijn, wordt de tekenvolgorde van de features gebaseerd op het symbool van de feature.

Symbol level eigenschappen kunnen voor elke feature layer of group layer aangemaakt worden. Een ander voordeel van gebruik van symbol levels is dat er bepaalde speciale cartografische effecten bereikt kunnen worden door de tekenvolgorde van multilayer symbols te bepalen. Zo kun je bijvoorbeeld verschillende categorieën van straten visualiseren en bruggen of tunnels symboliseren.

Hoe zet je symbol levels aan?

  • Selecteer een feature layer (of een group layer) in het Contents pane
  • Ga naar de Appearance tab en klik op de Symbology button in de Drawing groep
  • Het Symbology pane opent. Klik op menu en klik op Symbol layer drawing
  • Zet het vinkje bij Enable symbol layer drawing
  • Daarna heb je de keuze in de Basic of de Advanced modus te werken
  • Pas de volgorde van de symbolen aan

Zie de ArcGIS online Help voor een uitgebreidere toelichting en meer informatie over welke aanpassingen in de Basic of Advanced modus mogelijk zijn Symbol layer drawing.


Subtypes en domeinen in ArcGIS Pro

Net als in ArcMap, kunnen ook in ArcGIS Pro subtypes en domeinen worden gebruikt. In ArcGIS Pro werkt dit echter net wat anders. In dit artikel wordt uitgelegd hoe subtypes en domeinen kunnen worden aangemaakt en hoe deze aan elkaar gekoppeld kunnen worden.

Subtypes

Subtypes zijn een deelverzameling van features in een feature class of objecten in een tabel, die dezelfde attributen hebben. Ze worden gebruikt om data te categoriseren. Stel, je wilt alle scholen in een regio in kaart brengen. Dan is het handig dat je kunt categoriseren op het soort school, zoals basisscholen, middelbare scholen, beroepsonderwijs en universiteiten.

Aanmaken van subtypes

Het aanmaken van subtypes in een feature layer werkt als volgt:

  1. Voeg de feature class waarop je een subtype wilt instellen toe aan een kaart.
  2. Selecteer de betreffende feature layer in de Contents pane. Hierdoor wordt het Feature Layer menu in de ribbon geactiveerd.
  3. Klik in de Design-sectie op Subtypes.

  4. Klik op Create/Manage in de Subtypes tab. Dit zorgt ervoor dat het Manage Subtypes scherm wordt geopend.

  5. In het Subtype Field drop-downmenu kun je kiezen op welk veld de subtypes moeten worden toegepast. Je krijgt alleen de velden te zien die Integer als data type hebben.
  6. Vul vervolgens codes in en een omschrijving van deze codes.
  7. Nu kan ook een Default Subtype worden ingesteld via het drop-downmenu.
  8. De waarden zijn nu toegevoegd aan de Subtypes view. Klik op Save om de wijzigingen op te slaan.

Zoals te zien is in het screenshot van de Subtype Manager hieronder, bevat deze een Discover codes knop. Wanneer je deze knop aanklikt, wordt er gezocht naar waardes in het geselecteerde veld, die nog niet in de subtypes tabel gedefinieerd zijn. Vervolgens worden deze aan de tabel toegevoegd. Deze knop is dus een hulpmiddel bij het toevoegen van nieuwe subtypes.

Subtypes verwijderen

Wanneer je een subtype wilt verwijderen, volg dan de volgende stappen:

  1. Ga weer naar de Subtypes Manager en selecteer de code en omschrijving die je wilt verwijderen.
  2. Druk op de delete-knop op het toetsenbord.
  3. Klik op OK en sla de wijzigingen weer op via de Save-knop in de ribbon.

Subtypes aanpassen

Er zijn verschillende dingen die je kunt aanpassen in de Subtypes Manager:

    De Default Subtype: via het drop-downmenu kun je kiezen welke code er standaard moet worden ingevuld bij het toevoegen van een record.
  • De volgorde waarin de subtypes worden weergegeven: selecteer een code met omschrijving en sleep deze naar de gewenste plek.

Domeinen

Domeinen zijn regels die geldige waarden definiëren voor een bepaald veld. Zo kun je de toegestane waarden voor een bepaald attribuut beperken. Wanneer er dus een domein is ingesteld voor een bepaald veld, is het niet meer mogelijk om andere waarden in te vullen dan vastgelegd.

Een domein stel je niet in op een feature class, maar op een geodatabase. Domeinen kunnen dus door meerdere feature classes en tabellen worden gebruikt, mits deze in dezelfde geodatabase staan.

  • Range domains: hierbij stel je een bepaald bereik van waarden in. Alleen waarden die binnen dat bereik vallen, mogen in dat veld worden ingevuld.
  • Coded domains: hierbij stel je een specifiek aantal waarden in, waaruit dan gekozen mag worden aan de hand van een drop-downmenu.

Beide typen domeinen zorgen ervoor dat er valide waarden ingevuld worden voor bepaalde velden.

Aanmaken van domeinen

Het aanmaken van een domein op een geodatabase werkt als volgt:

  1. Selecteer een feature layer in de Contents pane. Dit zorgt ervoor dat het Feature Layer menu tevoorschijn komt.
  2. Klik op de data tab en klik op Domains (in de Design-sectie).
  3. Klik op de knop New Domain. Er wordt een nieuwe rij toegevoegd in de Domains view.
  4. Kies een naam voor het nieuwe domein, en geef een omschrijving op in het veld daarnaast.
  5. Kies een veldtype in de Field Type-kolom.
  6. Maak een keuze tussen Range Domain of Coded Value Domain in de Domain Type kolom.
  7. Selecteer een Split Policy en een Merge Policy.
  8. In de tabel rechts, kun je vervolgens de codes of ranges toevoegen.
  9. Als je klaar bent, klik dan op de Save-knop in de Domains tab in de ribbon om het nieuwe domein toe te voegen aan de geodatabase.

Domeinen toewijzen

Wanneer je een bepaald domein wilt toewijzen aan een veld in een feature class, dan kan dat via de Fields view. Dit werkt als volgt:

  1. Selecteer de betreffende feature layer in de Contents pane, zodat het Feature Layer menu weer geactiveerd wordt.
  2. Ga naar de Data tab in dit menu en klik vervolgens op Fields in de Design-sectie. De Fields View opent nu, met daarin de eigenschappen van de velden die de feature class bevat.
  3. Zoek het veld op waarop je een domein wilt instellen en ga naar de kolom Domain.
  4. Kies uit het drop-downmenu het gewenste domein. Je kunt hier alleen kiezen uit domeinen die hetzelfde datatype hebben als het veld waarop je het domein wilt instellen!

Zoals je zult zien, kun je via deze weg ook een nieuw domein instellen op de geodatabase. Kies dan voor <Add New Coded Value Domain>
  in het drop-downmenu. Volg verder de stappen zoals beschreven onder het kopje “Aanmaken van domeinen” (vanaf stap 4).

Domeinen koppelen aan subtypes

Het is ook mogelijk om domeinen te koppelen aan subtypes. Stel, je hebt subtypes gemaakt van verschillende soorten scholen: basisscholen, middelbare scholen, beroepsonderwijs enzovoorts. Wanneer ook het niveau van de school een belangrijke eigenschap is, kan het handig zijn om slechts een aantal vooraf ingestelde keuzemogelijkheden te kunnen kiezen op het moment dat een bepaald type school wordt gekozen. Bij de keuze voor ‘beroepsonderwijs’, worden bijvoorbeeld alleen de keuzes ‘MBO’ en ‘HBO’ getoond.

Het koppelen van een domein aan een subtype werkt als volgt:

  1. Ga naar de Subtypes view, via het Feature Layer menu > Data > Subtypes
  2. Ga naar het veld (rij) waarop je een domein wilt instellen en zoek in de kolommen het subtype op waaraan je het domein wilt koppelen. Klik vervolgens in de kolom Domain in het vakje om een domein te kiezen, zoals op het screenshot hieronder.

Domeinen verwijderen

Wanneer een domein wordt aangemaakt, wordt opgeslagen wie de eigenaar van het domein is. De eigenaar is degene die het domein aangemaakt heeft. Alleen de eigenaar kan een domein verwijderen of aanpassen.

Zolang een domein wordt gebruikt in een tabel of in een feature class, kan een domein niet worden verwijderd.

Als een domein niet meer in gebruik is, kan deze wel verwijderd worden. Doe dit als volgt:

  1. Ga naar de Domains view en selecteer de rij die bij het domein hoort die je wilt verwijderen (door op het vakje links van de kolom Domain Name te klikken).
  2. Druk op de Delete-knop op het toetsenbord of klik op Delete in de ribbon.
  3. Sla de wijzigingen weer op via de Save-knop in de ribbon.

Domeinen aanpassen

Een domein aanpassen is wel mogelijk op het moment dat deze in gebruik is. De volgende eigenschappen kunnen aangepast worden:

  • De naam van het domein
  • De omschrijving
  • Split en Merge policies
  • Maximale en minimale waardes van een range domain
  • Codes en waarden die gedefinieerd zijn in een coded value domain

Het type domein en het type veld kunnen niet meer worden aangepast nadat een domein eenmaal is opgeslagen.


Exporteren van kaartnotities van ArcGIS Online naar ArcGIS Pro

Introductie

Kaartnotities zijn handig, ze kunnen eenvoudig worden toegevoegd aan een webmap om bijvoorbeeld belangrijke highlights in de kaart te visualiseren. Zo kan er bijvoorbeeld snel een fietsroute met stops en restaurants op de kaart getekend worden. Daarnaast kunnen bijvoorbeeld alle zwembaden die worden beheerd door de gemeenteafdeling Parken en recreatie duidelijk in een webmap worden weergegeven.
Maar, wat nou als er dusdanig veel kaartnotities zijn getekend dat het uitvoeren van een analyse in ArcGIS Pro aantrekkelijk wordt?
Kaartnotities kunnen worden geëxporteerd naar een feature layer in een file geodatabase en opgeslagen worden op een lokale schijf, zodat er analyses mee gedaan kunnen worden in ArcGIS Pro.
In dit technisch artikel wordt eerst een algemene uitleg gegeven over wat kaartnotities zijn, vervolgens worden de stappen beschreven hoe kaartnotities kunnen worden geëxporteerd naar ArcGIS Pro.

Kaartnotities, wat zijn dat eigenlijk?

Kaartnotities zijn objecten die direct aan een webmap kunnen worden toegevoegd in ArcGIS Online. Ze zijn samen met CSV files en shapefiles onderdeel van de groep ‘Feature collections’ en zijn dus feitelijk (nog) geen feature layers. Kaartnotities worden opgeslagen in de webmap en verschijnen daarom ook niet in de Content van de ArcGIS Online gebruiker. Bij het niet opslaan van de webmap gaan eventuele toegevoegde kaartnotities dus verloren.
Kaartnotities bieden de mogelijkheid om objectlagen te maken als de ArcGIS Online gebruiker geen publicatierechten heeft.

Exporteren naar ArcGIS Pro

Volg onderstaande stappen om kaartnotities uiteindelijk naar een lokale machine te exporteren als een Feature Class in een File Geodatabase:

  1. Voeg Kaartnotities toe aan de kaart middels en ‘Kaartnotities toevoegen’. Bij het toevoegen van kaartnotities aan een webmap kan uit verschillende templates gekozen worden zoals ‘Recreatie’ of ‘Algemene Infrastructuur’.
  2. Na het aanmaken van de kaartnotities, ga naar de Table of Contents, klik op de 3 punten en kies voor ‘Save Layer’.

  3. In het Item maken venster, typ een naam, tags en een samenvatting en klik vervolgens op ‘Item maken’. De kaartnotities zijn nu toegevoegd als item in Mijn Content.
  4. In de Table of Contents, klik wederom op de drie punten en klik op ‘Itemdetails weergeven’ om de Item details van het zojuist gemaakte item te openen.
  5. Rechts op de Item Details pagina, klik op “Publiceren”. In het nieuwe venster, typ een titel en labels en klik vervolgens op Publiceren. De kaartnotities zijn nu omgezet naar een Feature Layer (gehoste).
  6. Doordat de kaartnotities nu zijn omgezet naar een gehoste Feature Layer zijn er meerdere opties aan de Item detailspagina toegevoegd (zie afbeelding). Rechts in het scherm, klik op ‘Gegevens exporteren’ en selecteer vervolgens ‘Exporteren naar FGDB’ (File Geodatabase).

  7. In het Exporteren naar File Geodatabase venster, typ een titel, labels en een samenvatting en klik op Exporteren. Er is nu een File Geodatabase aangemaakt welke gedownload kan worden naar een lokale machine.
  8. Op de Itemdetails pagina van de nieuw aangemaakte File Geodatabase, klik op Downloaden om deze als zip-file te downloaden. Unzip de zip-file naar een locatie op bijvoorbeeld de C-schijf.
  9. Tot slot, open ArcGIS Pro en voeg de feature layer toe aan een project middels ‘Add Data’ of via het Catalog venster.

ArcGIS Content add-in voor ArcGIS Pro

Elke gebruiker van het ArcGIS-platform kan ArcGIS Content direct gebruiken in ArcGIS Online, ArcGIS Desktop en GeoWeb. Met een speciale add-in voor ArcGIS Pro is het mogelijk om in drie klikken de content van Esri Nederland te vinden en direct toe te voegen aan een project.

De add-in toont in één overzicht alle content services die door Esri Nederland beschikbaar worden gesteld. De add-in is ingedeeld in thema’s, zodat direct is te zien welke content er beschikbaar is in bijvoorbeeld de thema’s basisregistraties en leefomgeving. De item types die in deze eerste release ondersteund worden zijn feature- en mapservices (tiled en dynamisch).

Via de volgende button is de ArcGIS Content Add-In te downloaden: Download de add-in.

Na het klikken op de link, wordt de volgende pagina getoond. Klik op ‘download’.

Het bestand ‘EsriNLContentAddin.zip’ zal worden gedownload. Pak het bestand EsriNLContent.esriAddInX uit en sla dit bestand op.

Dubbelklik op het zojuist uitgepakte bestand, zodat het volgende scherm wordt getoond:

Klik op ‘Install Add-in’ en de installatie zal worden gestart. Zodra de installatie is afgerond, is de Add-in beschikbaar in ArcGIS Pro onder het tabblad ‘Esri Nederland’.


Via de knop ‘Content toevoegen’, wordt onderstaand scherm getoond waarmee de door Esri Nederland aangeboden content direct beschikbaar is in ArcGIS Pro.

Voor meer informatie over de door Esri Nederland aangeboden content kunt u terecht op: http://www.esri.nl/producten/content/content


Offline werken met ArcGIS Pro

Kenmerkend aan ArcGIS Pro is de continue verbinding met ArcGIS Online. Dit biedt vele voordelen, maar vereist wel een connectie met het internet. Het is echter mogelijk om ook offline met ArcGIS Pro te werken, wanneer je bijvoorbeeld van plan bent het veld in te gaan of tijdelijk geen internet tot je beschikking hebt. Ons advies is echter om offline werken alleen in te schakelen wanneer de situatie erom vraagt. De voorbereiding ervan verdient namelijk de nodige aandacht. Denk aan de toegang tot data, Basemaps en de Help functie waarvan je gewend bent deze uit ArcGIS Online te halen. Ben je van plan om offline te werken met ArcGIS Pro? Lees dan dit artikel verder voor meer informatie en tips.

Offline werken inschakelen

Om met ArcGIS Pro offline te kunnen werken dient van tevoren een eenvoudige instelling te worden gedaan. Bij het inschakelen van deze mogelijkheid wordt de ArcGIS Pro licentie offline gehaald en als het ware tijdelijk geleend van de organisatie waarbij de gebruiker is aangesloten. Let op, vanaf dit moment kan de gebruiker alleen op deze machine ArcGIS Pro opstarten.

Volg deze stappen om offline te kunnen werken: (hiervoor is een internetverbinding vereist)

  1. Open ArcGIS Pro en log in
  2. Open een Project
  3. Ga naar het Project tab
  4. Klik op Licensing
  5. Schakel de checkbox "Authorize ArcGIS Pro to work offline" in en vul het aantal dagen in waarvoor de licentie offline dient te zijn

Offline werken uitschakelen

Het is mogelijk om het offline werken weer uit te schakelen door de checkbox "Authorize ArcGIS Pro to work offline" uit te zetten (zie de stappen hierboven). De licentie wordt teruggeven aan de organisatie waarvan hij tijdelijk was geleend en vanaf dit moment is het niet meer mogelijk om ArcGIS Pro zonder internetverbinding te gebruiken.

Tips voor Offline werken

Toegang tot data

Zonder internetverbinding is er geen toegang tot data uit ArcGIS Online, zoals My Content of de Basemap Gallery. Houd hier dus rekening mee als je offline wilt werken. We raden aan om van te voren een nieuw Project aan te maken en alle benodigde data lokaal op je machine op te slaan.

Toegang tot de Help functie

Offline werken betekent ook dat de Help functie van ArcGIS Pro niet kan worden geraadpleegd, deze staat namelijk online. Je kunt de Help van te voren downloaden en installeren. Hierna kun je kiezen of je standaard de online- of de offline Help wilt raadplegen.

Neem de volgende stappen om de Help functie te installeren: (hiervoor is een internetverbinding vereist)

  1. Open de ArcGIS Pro Help setup (ArcGISProHelp.msi bevindt zich in de installatiefolder) en run de installatie
  2. Open Arcgis Pro en log in
  3. Open een Project
  4. Ga naar het Project tab
  5. Klik op Options
  6. Onder Application, klik op General
  7. Kies bij Help System of je gebruik wilt maken van de online- of offline Help (offline is alleen beschikbaar als deze reeds is geïnstalleerd)
  8. Klik ok

Mocht de Help offline staan en er een update beschikbaar komen, dan geeft ArcGIS Pro hiervan een melding.

Inzicht in offline gebruikers (voor administrators in ArcGIS Online)

In ArcGIS Online kan de Administrator zien welke gebruikers binnen een organisatie offline werken met ArcGIS Pro. Log in (als Administrator) in ArcGIS Online, ga naar My Organization en klik op Manage Licenses. De lijst met namen zijn de gebruikers die een ArcGIS Pro licentie hebben gekoppeld aan hun Named User account. De gebruikers met een rood blokje voor hun naam werken offline met ArcGIS Pro.

Veelvoorkomende melding

Het komt regelmatig voor dat gebruikers inloggen bij ArcGIS Pro en deze melding krijgen:
“The account cannot be used to authorize ArcGIS Pro as it has already been configured to use in offline mode on some other device”

De melding geeft aan dat deze gebruiker zijn ArcGIS Pro licentie op een andere machine offline heeft gehaald waardoor het niet meer mogelijk is om elders met ArcGIS Pro in te loggen. Dit kan worden opgelost door het offline werken uit te schakelen op de machine waarop dit was ingesteld. Mocht dit geen optie zijn dan adviseren we contact op te nemen met de Afdeling Support van Esri Nederland.

Checkbox Offline werken niet beschikbaar

Het kan voorkomen dat de checkbox "Authorize ArcGIS Pro to work offline" is uitgegrijsd. In dat geval ben je mogelijk niet bij de juiste Portal aangemeld. Volg deze stappen om dit te wijzigen:

  1. Open ArcGIS Pro en log in met het account waarmee de licentie destijds offline is gehaald
  2. Open een Project
  3. Ga naar het Project tab
  4. Klik op Portals
  5. Klik met de rechtermuisknop op de Licensing Portal van je organisatie (grijs sleutel symbool) en log in met uw gegevens
  6. Ga terug naar de Licensing pagina
  7. De checkbox "Authorize ArcGIS Pro to work offline" zou nu beschikbaar moeten zijn


Animaties maken met ArcGIS Pro

Het maken van Animaties is geen nieuw kunstje van de ArcGIS software, maar de komst van ArcGIS Pro is een perfecte aanleiding om het weer eens onder de aandacht te brengen. ArcGIS Pro is het software programma bij uitstek om 3D data te visualiseren en dus ook om mooie Animaties mee te maken. Het concept is vrij eenvoudig en hoeft niet veel tijd te kosten: in slechts een paar handelingen zoeft ArcGIS Pro door je Map of Scene heen.

Het mooie is dat alle benodigde Tools standaard in ArcGIS Pro zijn ingebouwd, je hebt dus niets extra’s nodig. Daarbij zijn animaties gemakkelijk te exporteren naar vooraf ingestelde formats voor onder andere YouTube, Twitter of Instagram. Mocht je nog niet bekend zijn met Animaties dan is het zeker de moeite waard om verder te lezen, het zal je verbazen hoe eenvoudig èn leuk het is. Nieuwsgierig hoe zo’n Animatie eruit kan zien? Klik dan hier.

De volgende onderwerpen passeren de revue:

  1. Animation Tab en Animation Timeline
  2. Maak een Animatie met Bookmarks
  3. Maak een Animatie met Time-Enabled data

Waar te beginnen?

De benodigdheden voor het maken van Animaties bevinden zich in de Animation Tab. Dit is een zogeheten Contextual Tab, die alleen verschijnt wanneer een actieve Map of Scene een Animatie bevat. Hoe activeer je de Animation Tab? Start een project in ArcGIS Pro, open de dataset waarvan je een Animatie wilt maken, ga naar View en klik op de knop Add:

1. Animation Tab en Animation Timeline

Het maken, editen en exporteren van een Animatie gebeurt met de Animation Tab. De functies en instellingen zijn gegroepeerd als Display, Create, Edit, Playback, Overlay en Export:

Met Display pas je de visualatie van het beeld aan: kies voor het pad, een Keyframe of beiden. Met de Create groep kan het bouwen van de Animatie van start gaan. De Append Tool is een belangrijke in deze, omdat hij Keyframes creëert en de paden ertussen bepaalt. Klik op het pijltje onder Append om een Transitietype te kiezen die als overgang tussen de Keyframes dient. De Edit groep bevat Tools om een Animatie mee te bewerken. Navigeer naar de knop Properties voor gedetailleerde instellingen. Een aantal Keyframes aan elkaar geknutseld? Gebruik dan de Playback functies in combinatie met de Animation Timeline om het resultaat te bekijken. De Overlay sectie biedt de mogelijkheid om afbeeldingen of teksten op een kaart of Scene te plakken, denk daarbij aan titels, een datumnotatie of een gewatermerkt logo. Wil je Overlays aanpassen, ga naar Animation Properties (Edit groep). Klaar met monteren? Gebruik dan de knop Movie uit de Export groep om van alle Keyframes en Transities één video te maken.

De Animation Timeline

Met de knop Timeline (Playback groep) kun je de Animation Timeline aan- en uit zetten. De Animation Timeline is een aparte Toolbar die veel gebruikt wordt tijdens het maken van een Animatie. Het beschikt over een tijdlijn en een Keyframe Gallery waarin je de Keyframes kunt aanpassen. Zodra er Overlays worden toegevoegd (teksten/plaatjes) verschijnt er een extra balk onder de Timeline om aanpassingen te kunnen doen en bijvoorbeeld naar andere Keyframes te verschuiven.

2. Maak een Animatie met Bookmarks

Je kunt ervoor kiezen om Keyframes te creëren met de Append Tool óf aan de hand van vooraf gedefinieerde Bookmarks (bladwijzers). De werkwijzen zijn vergelijkbaar, maar Bookmarks hebben het voordeel dat je ze in de Bookmarks Manager kunt beheren en ook nog voor andere doeleinden kunt gebruiken. Hieronder zal worden geïllustreerd hoe je met Bookmarks te werk kunt gaan, voor informatie over de Append Tool, zie deze instructievideo.

Neem de volgende stappen:

  1. Creëer Bookmarks van geschikte locaties in de Map of Scene, voor een korte Animatie zijn slechts een paar Bookmarks nodig. Klik hier voor meer informatie over het maken van Bookmarks.
  2. Bookmarks gereed? Navigeer naar de Animation Tab. Klik op Import en kies voor Bookmarks to Fly- Through of Bookmarks to Tour.
  3. Van de Bookmarks worden zogeheten Keyframes gemaakt die in de Animation Timeline worden weergegeven. Bij de Bookmarks to Fly- through is het Transitietype van de Keyframes ‘Fixed’, bij de Bookmarks to Tour is dit standard ‘Hop’. De camera hopt dan als het ware van Bookmark naar Bookmark, bij Fixed vliegt de camera geleidelijk door de Bookmarks heen.

  4. De Transitietypes zijn achteraf nog aan te passen, evenals het aantal seconden dat tussen de Keyframes gewenst is. Maak in dit geval gebruik van de Keyframe List in de Edit groep
  5. Met de Play knop kan het resultaat worden bekeken en eventueel aanpassingen aan Keyframes worden gedaan. Gebruik de knop Update om het nieuwe beeld van een bestaand Keyframe op te slaan.
  6. Als het resultaat naar wens is kan er een video van worden gemaakt door in de Export groep op Movie te klikken.

Tip 1: ArcGIS Pro maakt van alle Bookmarks behorend bij een Map of Scene een Animatie, dus zorg dat er alleen gewenste Bookmarks tussen staan.
Tip 2: Gebruik je toetsenbord als sneltoetsen (werkt alleen bij een geactiveerde Animation Timeline)

3. Maak een Animatie met Time-Enabled data

Hiervoor is een Feature Layer met locaties en tijdstippen benodigd. De Feature Layer moet Time-Enabled zijn eer hij voor een Animatie gebruikt kan worden, dan zal ook de Contextual Time Tab verschijnen. Lees hier hoe je tijd-eigenschappen aan een Feature Layer kan toekennen of bekijk deze video.

Neem de volgende stappen:

Open een Feature Layer en maak deze Time-Enabled.
  • In de Time Tab kun je de ‘Start Span’ en ‘End Time’ opgeven, dat zijn datums waar binnen je data valt. Het aantal Step Intervals bepaalt hoeveel Keyframes er worden gecreëerd.
  • Activeer de Animation Tab, klik op Import en kies voor Time Slider Steps.
  • De elementen van de Time Slider worden net zoals bij Bookmarks als Keyframes toegevoegd aan de Keyframe Gallery en zijn op dezelfde manier te bekijken, bewerken en te exporteren.

    Ter illustratie van bovengenoemde werkwijze is deze Animatie gemaakt met slechts 8 bookmarks. Er is een 3D dataset voor gebruikt van de Barringerkrater, een inslagkrater in Arizona, Verenigde Staten.

    Op zoek naar algemene achtergrondinformatie? Raadpleeg dan de volgende websites voor:
    Essential terminology, Get Started with Animations en Animation How-To videos.

    Geavanceerde trucjes toepassen op een Animatie? Bekijk deze instructievideo’s hoe bijvoorbeeld schaduwen- of zelfs wolkpartijen aan een 3D Scene kunnen worden toegevoegd.

    Veel plezier!


    Verschillen tussen de Data Interoperability Extensie in ArcGIS Pro en ArcMap

    In dit artikel wordt aangegeven wat de verschillen zijn tussen de Data Interoperability Extensie (DIE) in ArcGIS Pro 1.4 en in ArcMap 10.5.

    De verschillen in de mogelijkheden van de DIE in deze twee omgevingen zijn niet bijzonder groot en bestaan hoofdzakelijk uit het nog niet beschikbaar zijn van de Import en Export tools en in het aantal beschikbare formaten en transformers.

    In beide applicatie kun je een FME Workbench opstarten, hierna te noemen de ProWB (ArcGIS Pro FME Workbench) en de AmWB (ArcMap FME Workbench), beide workbenches werken identiek en de workspaces worden in beide versies weggeschreven naar een .fmw bestand, welke in principe uitwisselbaar zijn.

    De Data Interoperability toolbox met de Quick Import/Export tools is (nog) niet beschikbaar in de ArcGIS Pro DIE. Een alternatief voor de Import en Export tool is voor dit moment, gebruik te maken van de ProWB. Open een lege ProWB en sleep de benodigde Reader en Writer in de workbench en je hebt in principe een kant- en klare tool ter beschikking. Naar verwachting zullen de DIE Import en Export tools in een van de volgende versies van ArcGIS Pro beschikbaar komen.

    In tegenstelling tot de AmWB, waar je eerst een invoer en een uitvoer dataset moet opgeven, kun je de ProWB direct opstarten zonder in- of uitvoer vooraf aan te geven. Dit werkt daardoor een stuk prettiger.

    De ProWB is een 64 bit applicatie, waardoor deze naar verwachting tweemaal sneller werkt dan de 32 bit AmWB applicatie.

    In de ProWB zijn meer Transformers (+8) en ondersteunde formaten (+11) beschikbaar dan in de AmWB.

    De werking van de ProWB en AmWB zijn verder identiek. ETL's zijn in principe uitwisselbaar, waarbij je dient uit te kijken dat je geen gebruik maakt van (nog) niet ondersteunde Transformers of formaten in de AmWB.

    Voor een overzicht van tools die nog niet beschikbaar zijn in ArcGIS Pro kan onderstaand artikel worden bekeken:
    https://pro.ArcGIS.com/en/pro-app/tool-reference/appendices/unavailable-tools.htm


    Het gebruik van Arcade

    Wat is Arcade?

    Arcade is een nieuwe expressietaal voor ArcGIS dat de gebruiker in staat stelt om dezelfde expressies voor met name symbologie en labeling te gebruiken door het gehele ArcGIS Platform. Arcade is zodanig ontwikkeld dat het door het gehele platform gebruikt kan worden, zowel op het web, als op desktop of mobiele devices. Met behulp van Arcade kunnen complexe labels en symbologieën on the fly gemaakt worden, hiervoor werd eerder Python gebruikt. Arcade is echter geen vervanger van Python. Gebruikers kunnen dus ook gewoon Python blijven gebruiken in combinatie met ArcGIS.

    Waarom Arcade?

    Om symbologie te definiëren op basis van meerdere velden, was het voorheen noodzakelijk om een kolom toe te voegen en deze met behulp van de field calculator te vullen met de waarden. Deze kolom kon vervolgens gebruikt worden om de symbologie uit te voeren.

    Door de komst van Arcade is het mogelijk om on the fly het resultaat van de berekening te laten zien op de kaart. Stel bijvoorbeeld dat een visualisatie gemaakt dient te worden van het aantal inwoners per km2, dan is het mogelijk om deze twee kolommen uit de attribuuttabel door elkaar te delen en direct in beeld te brengen. Er hoeft dus geen nieuwe fysieke kolom te worden aangemaakt om te gebruiken voor het instellen van de symbologie.

    Functies

    Net als andere programmeertalen als Python, maakt Arcade gebruik van functies om expressies op te bouwen en berekeningen uit te voeren. In het venster in ArcGIS Pro waarin de expressie wordt ingevoerd, zijn de functies zichtbaar. Er zijn veel verschillende functies, waardoor het lastig kan zijn om de betekenis ervan precies te weten. Daarom is er een overzicht gemaakt van de verschillende functies die gebruikt kunnen worden met Arcade: https://developers.arcgis.com/arcade/function-reference/.

    Gebruiken van Arcade expressies

    Binnen ArcGIS Pro en ArcGIS Online is er de mogelijkheid om Arcade expressies in te voeren voor symbologie en labeling.

    Symbologie

    Om een Arcade Expressie in te voeren voor symbologie, kunnen de volgende stappen doorlopen worden.

    1. Open het symbologie paneel van de laag die gevisualiseerd gaat worden
    2. Kies welk type symbologie gebruikt moet worden en klik op het expressie icoon naast ‘Field’
    3. Voer in het venster dat verschijnt de expressie in en klik op het groene vinkje onderaan om de expressie te valideren
    4. Door op OK te klikken, zal de symbologie worden toegepast
    5. In het symbology paneel kunnen aanpassingen gedaan worden met betrekking tot onder andere kleur en schaal

    Labeling

    Ook voor het instellen van labels kan gebruik gemaakt worden van Arcade expressies. Doorloop hiervoor de stappen hieronder.

    1. Open de Labeling Properties van de laag waarop de labels moeten worden toegepast
    2. Er verschijnt in het paneel direct een veld waarin de Arcade expressie kan worden ingevoerd
    3. Klik weer met de rechtermuisknop op de kaartlaag om de labels aan te zetten

    Indien in ArcGIS Pro Arcade expressies zijn ingevoerd, worden deze ook meegenomen naar ArcGIS Online bij het uploaden. De expressies zijn in ArcGIS Online vervolgens ook te bekijken en te bewerken. Andersom kunnen in ArcGIS Online ook Arcade expressies worden ingevoerd, die vervolgens te bekijken en te bewerken zijn in ArcGIS Pro. Klik hier voor het technisch artikel over het invoeren van Arcade expressies in ArcGIS Online.

    Voorbeelden

    Via deze link is het mogelijk om voorbeelden van kaarten te bekijken waarin Arcade expressies zijn gebruikt voor de symbologie. Als de kaarten zijn geopend, zijn ook de expressies zichtbaar die zijn gebruikt voor de symbologie.


    Verschillende symbolen per object bij in- en uitzoomen in een ArcGIS Pro project

    In ArcGIS Pro is het mogelijk om features te voorzien van een verschillende symbologie op verschillende zoomniveaus. In dit ‘how-to’ artikel worden de stappen toegelicht die moeten worden doorlopen om de symbologie zó in te stellen, dat er verschillende symbolen worden getoond gedurende het in- en uitzoomen.

    1. Open een ArcGIS Pro project en open de juiste data.
    2. Klik in het ArcGIS Pro project op het symbool dat onder de feature class getoond wordt en de huidige symbologie representeert om het Symbology Pane te openen:

      Het Symbology Pane kan ook worden geopend via het Appearance tabblad en de Symbology knop.

    3. Selecteer een van de symbologie instellingen ‘unique values of ‘graduated colors’. Voor deze twee type symbolisering is de optie beschikbaar om meerdere symbolen te definiëren. Selecteer vervolgens het veld waarop de symbologie gebaseerd dient te worden:

    4. Klik op ‘More’ en kies of alle waarden moeten worden toegevoegd aan het Symbology Pane of alleen een eigen selectie door zelf waarden in te voeren via ‘Add Values’.
    5. Klik vervolgens op het ‘Scale range view’ icoon om de mogelijkheid te krijgen om de symbolen per zoomniveau in te stellen.

    Standaard wordt per value de volledige schaal getoond:

    ‘All other values’ kan worden uitgeschakeld via ‘More’ en het de-selecteren van de optie ‘Show all other values’.

    Door een regel te selecteren (bijvoorbeeld de regel met waarde ‘2’), wordt de mogelijkheid gecreëerd om extra symbologie levels toe te voegen. Dit kan meerdere malen worden herhaald tot het aantal gewenste zoomniveaus is bereikt.

    Middels de schuifbalk achter de originele waarde (2) kunnen de zoomniveaus worden ingesteld waarop de symbologie zichtbaar moet zijn en door op de symbolen te klikken kunnen andere symbolen worden gekozen voor het betreffende zoomniveau. De zoomniveaus kunnen worden gekozen door de sliders te verschuiven over de schuifbalk of door op een slider te klikken en handmatig een schaalgetal in te vullen, bijvoorbeeld ‘1:50.000’.

    Alle instellingen worden direct weergegeven in het openstaande project.

    Tijdens het in- en uitzoomen verandert de symbologie in het Contents Pane automatisch mee:

    1:100.000 1:50.000


    Een MXD uit ArcMap inladen in ArcGIS Pro

    Wanneer je als ArcMap-gebruiker met ArcGIS Pro wilt gaan werken, wil je wellicht met bestaande ArcMap documenten aan de slag. Je kunt een bestaand map document (.mxd) eenvoudig in ArcGIS Pro importeren. Volg hiervoor de volgende stappen:

    1. Ga in ArcGIS Pro naar het tabblad Insert, ga naar de groep Project en klik op Import Map.

    2. Blader naar de locatie van het map document die je wilt openen in ArcGIS Pro en klik op OK.

      Nu opent er een map waarvan de naam overeenkomt met de naam van één van de data frames uit het map document.

      Data frames in ArcMap worden aparte maps in ArcGIS Pro. Als een MXD meerdere dataframes bevat, wordt alleen het geactiveerde dataframe in de vorm van een web map geopend. De overige data frames kun je als maps terugvinden in het Catalog pane.

    3. Ga in het Catalog pane naar de Project tab en klap de folder Maps uit.

      Als het Catalog pane nog niet geopend is, ga dan naar het View tabblad in de ribbon, ga vervolgens naar de groep Windows, klap het Project drop-down menu uit en klik op Catalog Pane.

      Je ziet dat er twee maps zijn toegevoegd in dit voorbeeld, die overeenkomen met de data frames uit de oorspronkelijke mxd.

    4. Je kunt nu ook een tweede map toevoegen aan het ArcGIS Pro project door te dubbel op te klikken op de map. Beide maps zijn dan tegelijkertijd geopend in het project. Je kunt eenvoudig wisselen van map doordat er met tabbladen wordt gewerkt in ArcGIS Pro.

    5. Je kunt de maps ook naast elkaar weergeven. Dit doe je door met de rechtermuisknop op een tabblad te klikken. Kies vervolgens voor New Vertical Tab Group om de maps naast elkaar weer te geven. Als je de maps onder elkaar wilt weergeven, kies je voor New Horizontal Tab Group.

    In principe komt alles wat je in de MXD hebt opgeslagen in het ArcGIS Pro project terecht bij het importeren. Lay-out views en dataframes komen niet meteen mee in de map die wordt geopend, maar kun je wel terugvinden via de Project Pane.

    De symbologie die in de MXD op de feature layers is ingesteld, komt ook terug in het ArcGIS Pro project. Het kan zijn dat er wat verschillen optreden, vanwege de verbeteringen in de tekenkwaliteit die in ArcGIS Pro zitten.

    Het kan zijn dat ArcGIS Pro de bron van de data van het originele document niet meer terug kan vinden. In dat geval verschijnt er na het importeren een rood uitroepteken naast de betreffende laag in de Contents pane.

    Voor details over de import kun je de logfiles bekijken. Deze zijn te benaderen via de Catalog pane en dan het Notifications tabblad.

    Wanneer de databron nog wel beschikbaar is, kun je deze verbroken link repareren. Doe dit als volgt:

    1. Ga in de Contents pane naar een laag met een rood uitroepteken. Klik daarop met de rechter muisknop en ga naar de Properties.
    2. Ga vervolgens naar het tabblad Source.
    3. Klik op het icoon voor Change Data Source .
    4. Browse naar de databron en klik op OK.

    Daarnaast is het zo, dat sommige bestandsformaten die beschikbaar waren in ArcMap, niet meer worden ondersteund door ArcGIS Pro. Lagen die refereren naar deze formaten, zullen in ArcGIS Pro wellicht niet goed worden weergegeven. Een voorbeeld hiervan is een laag die in een personal geodatabase staat. Maak dan een file Geodatabase aan en importeer bestanden vanuit de personal Geodatabase naar de file Geodatabase. Via deze link vind je alle bestandsformaten die wel worden ondersteund door ArcGIS Pro: http://pro.arcgis.com/en/pro-app/help/projects/supported-data-types-and-items.htm


    Het gebruik van Tasks (of Workflows) in ArcGIS Pro

    Met tasks kun je een stappenplan ontwerpen in ArcGIS Pro. Tasks beschikt hierbij zelf niet over nieuwe functionaliteit, maar heeft de mogelijkheid functionaliteiten in ArcGIS Pro aan te roepen en te ordenen.
    Dit artikel geeft meer informatie over Tasks en legt uit hoe je Tasks kunt gebruiken.

    Achtergrond

    Met behulp van Tasks zorg je ervoor dat een gebruiker een specifieke taak kan uitvoeren doordat de benodigde kaarten en functies klaargezet zijn. Redenen om tasks te gebruiken kunnen zijn:

    • Het garandeert dat de best beproefde methode consistent gebruikt wordt voor het herhaaldelijk uitvoeren van dezelfde taak.
    • Gebruikers die onbekend zijn met de software of met de taak die gedaan moet worden, kunnen de taak toch uitvoeren.
    • Het is gemakkelijk om met tasks uitleg te geven van de stappen die nodig zijn voor een taak, bijvoorbeeld om een collega iets uit te leggen. Ook kan dit educatief gebruikt worden, zoals een opdracht waarbij een student aan de docent de stappen moet laten zien waarmee hij/zij een taak in ArcGIS Pro uitvoert.

    Wat kunnen tasks?

    • Ieder command in de software oproepen.
    • Geoprocessing tools oproepen, zowel systeem geoprocessing tools, als een tool uit een model of een script.
    • Map views managen; openen van de map view en layout view. Hieronder valt ook de Active Map View, waardoor het mogelijk is met tasks de layers te managen en de layer te selecteren die nodig is voor een taak.

    Hiernaast is het voor degene die de task doorloopt mogelijk elke andere tool of command te gebruiken tijdens het uitvoeren van de task.

    Wat kunnen tasks niet?

    • Tasks hebben geen verborgen functionaliteiten.
    • Tasks kunnen panes openen, maar kunnen niet de tabbladen in de panes aansturen. (Dus ze kunnen bijvoorbeeld het pane ‘Insert’ openen, maar niet daaruit het tabblad ‘Layer Templates’ selecteren.
    • Tasks ondersteunen geen conditionele workflows.

    Hoe gebruik je Tasks?

    Om het Task Pane te openen, ga naar View > Windows tabblad > Tasks

    Om een nieuw Task Item te maken, ga naar Insert > Project pane > Onder Task > New Task Item.

    Functies in het Task Window

    Er zijn twee manieren om stappen in je Task Item toe te voegen, door ze handmatig toe te voegen of door acties op te nemen (recording).

    Handmatig toevoegen van stappen in de workflow

    1. Maak een groep aan via de ‘New Group’ button
    2. Maak binnen deze groep een stap aan via de ‘New Task’ button
      (Tasks kun je ook aanmaken zonder ze te groeperen, maar vaak werken groepen overzichtelijker)
    3. Open de zojuist aangemaakte stap door op het blauwe pijltje achter de stap te klikken.

    4. De ‘New Step’ button wordt nu beschikbaar voor gebruik. Maak een nieuwe stap aan
    5. In de Task Designer pane komen de opties beschikbaar voor de Stap.

    Automatisch toevoegen van stappen in de workflow

    Het is mogelijk om zelf de daadwerkelijke werkzaamheden die je in de taak wilt gebruiken uit te voeren en deze stappen automatisch ‘op te laten nemen’ via de record knop. De handelingen die je uitvoert in ArcGIS Pro worden automatisch naar stappen omgezet in je task.

    De record button () wordt actief als je de task zelf opent. Als je klaar bent met de opname stop je deze via de stop button ().

    Na het opnemen van de stappen zal het vaak nodig zijn een deel te verwijderen (bijvoorbeeld het in- en uitzoomen op een laag) of de instellingen aan te vullen of aan te passen.

    Instellingen in de Task Designer voor een stap

    In de task designer zijn voor elke stap vier tabbladen beschikbaar: General, Actions, View en Contents. Deze zullen we hier kort laten zien.

    Beheren van een task item

    Een task kan worden teruggevonden in het project pane onder ‘Tasks’. Via rechtermuisknop heeft u de optie om de task te bewerken, te verwijderen, de eigenschappen te bewerken of de taak te exporteren. Bij het exporteren kunt u ervoor kiezen de taak via email te versturen, op te slaan als aparte task file of te exporteren naar workflow manager.

    Tips bij het gebruik van tasks

    • Verander de naam van de stap naar de taak die de gebruiker specifiek uitvoert. Bijvoorbeeld ‘Zoom in’ naar ‘Zoom naar Rotterdam’.
    • Test altijd je tasks voordat je deze opstuurt naar de gebruiker.
    • Ontwerp je task terwijl je het licentieniveau gebruikt van je gebruikers, zodat je zeker weet dat zij ook de tools kunnen gebruiken die jij gebruikt terwijl ze de stappen doorlopen.

    Veel gestelde vragen over Tasks

    • Hoe worden tasks opgeslagen?
      Tasks worden opgeslagen als deel van de project file (.aprx). Als je een task op wilt slaan, dan doe je dit dus ook door het project op te slaan. Als je een project package maakt van je project, wordt de task daarin meegenomen.
    • Wordt de voortgang van een gebruiker in een task ook opgeslagen?
      Nee. Als het project wordt opgeslagen, worden de daadwerkelijke veranderingen in de data wel opgeslagen (bijvoorbeeld na het uitvoeren van een create feature layer wordt de datalaag opgeslagen bij het opslaan van het project). Er wordt niet opgeslagen dat de gebruiker bij stap 5 van de 10 is.
      Hierdoor zijn tasks vooral geschikt voor workflows die niet meer dan enkele uren kosten om uit te voeren.
    • Kun je tasks maken die niet GIS-gerelateerd zijn?
      Ja, dat kan. Dit kan ook erg handig zijn, bijvoorbeeld als je een werkproces hebt waarbij een deel van de stappen wel in GIS uitgevoerd moet worden (het maken van de kaart) en een deel niet (het instellen van de printer).
    • Hoe kun je een actie ongedaan maken als je een stap doorlopen hebt?
      Zoals je normaal ook een actie ongedaan maakt, de undo knop of CTRL+Z
    • Vervangen tasks geoprocessing modellen?
      Nee, tasks en geoprocessing modellen vullen elkaar juist goed aan. Een tasks kan de gebruiker helpen stappen te doorlopen waarmee het runnen van het model voorbereidt wordt (bijvoorbeeld het selecteren van lagen). Een task is gericht op interactie met de gebruiker, als de stappen van tevoren geheel vastliggen en automatisch mogen verlopen, is het handiger om een script te runnen.
    • Kunnen tasks gebruikt worden door de Workflow Manager?
      Ja, tasks hebben een SDK, hierdoor kunnen ze ook gebruikt worden door de workflow manager extensie. Uitleg over het verschil tussen workflow manager en tasks kunt u hier vinden: https://pro.arcgis.com/en/pro-app/help/workflows/workflows-in-arcgis-pro.htm (in het Engels.)
    • Kan ik een task gebruiken in een ander project?
      Ja. Het kan zijn dat bepaalde stappen in de task nog wel moeten aangepast aan het nieuwe project, zoals verwijzingen naar datalagen.
    • Kunnen Tasks gelockt worden/ kan ik een wachtwoord protectie instellen?
      Nee.
    • Als ik een update maak van mijn task, kan ik deze pushen naar een gebruiker?
      Nee, de gebruiker zal de task opnieuw moeten ontvangen en de nieuwe task gaan gebruiken.
    • Kan ik tasks loggen?
      Nog niet, maar deze functionaliteit komt beschikbaar in komende updates

    Hoe kunnen kaartseries worden gemaakt in ArcGIS Pro?

    In ArcMap bestaat de mogelijkheid om een lay-out te creëren met Data Driven Pages. In ArcGIS Pro is deze functionaliteit ook beschikbaar onder de naam ‘Map series’. In dit artikel worden de stappen doorlopen die noodzakelijk zijn om een lay-out view te creëren waarin Map series zijn opgenomen.

    In de eerste plaats zal een Map moeten worden gemaakt met daarin de gewenste data. Op het moment dat de Map gereed is en alle gewenste data is toegevoegd, kan via het Insert tabblad, onder de groep Project een nieuwe lay-out worden toegevoegd.

    Vervolgens is er een groot aantal functies beschikbaar voor de opmaak van de kaart. Via Insert en de Map Frames groep kunnen één of meerdere Map Frames worden toegevoegd aan de kaart. Indien het ArcGIS Pro project uit meerdere Maps bestaat, kunnen deze Maps worden toegevoegd aan de kaart.

    Als de Lay-out geselecteerd is wordt de Layout tab beschikbaar. In de Page Setup groep is de knop Map series beschikbaar. Deze staat default ingesteld op ‘geen Map series’. Zodra er op de knop Map series geklikt wordt, verschijnt de mogelijkheid om Spatial Map series te genereren en wordt een dialoogvenster geopend waarin het mogelijk is om het Map Frame en de layer in te stellen waarop de Map series moet worden toegepast.

    In hetzelfde venster kan het veld worden gekozen waarop de Map series moet worden gebaseerd en kan de volgorde worden aangegeven. Bovendien bestaat de mogelijkheid om extra optionele keuzes te maken en het extent aan te passen waarop de Map series moet worden toegepast.

    In de Layout wordt nu een overzicht van de kaartbladen getoond.

    Het is ook mogelijk om op basis van een grid een Map series te genereren. Gebruik de ‘Grid Index Features’ tool om een grid te genereren. Deze tool is zowel beschikbaar in ArcGIS Pro Basis, Standard als Advanced. Kies vervolgens in de Layout properties bij de optie ‘layer’ het eerder aangemaakte grid.


    Optionele installatiebestanden ArcGIS Pro

    Het installatiebestand voor ArcGIS Pro staat op My Esri. Na installatie van deze download kan zonder problemen ArcGIS Pro in gebruik genomen worden. Echter, er staan ook nog twee optionele bestanden in My Esri: Coordinate Systems Data en ArcGIS Pro SDK. Waarvoor zijn deze bestanden en moeten deze ook geïnstalleerd worden?

    Coordinate systems data

    De naam geeft al aan dat dit bestand data bevat voor coördinatensystemen. Sommige transformaties vereisen bestanden die niet standaard worden geïnstalleerd met een ArcGIS Pro installatie en zullen, indien gewenst, apart geïnstalleerd moeten worden. Hiervoor kan het Coordinate Systems Data-bestanden worden gedownload en geïnstalleerd. Indien voornamelijk gebruikt gemaakt wordt van data in bijvoorbeeld WGS84 of RD New, is het niet noodzakelijk om dit bestand te installeren. Door middel van installatie van Coordinate systems data worden de volgende bestanden toegevoegd: EGM2008 en GEOID12b geoid modellen, VERTCON bestanden, GEOCON v1 en drie NTv2 bestanden voor Zwitserland, XRail en OSTN15.

    Het is dus niet noodzakelijk om Coordinate Systems Data te installeren als voornamelijk gebruik gemaakt wordt van onder andere WGS84 of RD New. Indien je transformaties wil uitvoeren die bestanden vereisen die niet standaard worden geïnstalleerd, is het wel van belang om deze installatie uit te voeren.

    ArcGIS Pro SDK

    Met behulp van de ArcGIS Pro SDK kun je ArcGIS Pro uitbreiden met unieke tools en workflows. Naast de standaard functionaliteit van ArcGIS Pro kunnen dus bijvoorbeeld extra tools worden toegevoegd. Op GitHub zijn hiervoor vele verschillende samples te vinden.

    De ArcGIS Pro SDK is ontwikkeld om de gebruiker de mogelijkheid te geven om extra functionaliteiten te creëren. Als er geen extra functionaliteit toegevoegd hoeft te worden of je bent niet bekend met programmeren, hoeft dit bestand niet geïnstalleerd te worden.


    Werken in 3D met Local en Global scenes

    Kaarten zijn representaties van de werkelijkheid en geven informatie om de wereld om je heen beter te kunnen begrijpen. Tegenwoordig kunnen kaarten met hoogtegegevens een steeds realistischere weergave van de werkelijkheid tonen, zoals een 3D-weergave van het hart van Rotterdam.

    3D scene

    Met ArcGIS Pro is het mogelijk om een platte 2D kaart te kantelen tot een 3D scene. Dit zorgt ervoor dat hoogtedata begrijpelijker wordt weergegeven en er nieuwe inzichten in ruimtelijke patronen worden onthuld.

    Het werken in 3D kan realistische elementen aan uw content toevoegen, bijvoorbeeld het reliëf in het landschap en de grootte van bomen, gebouwen en ondergrondse geologische lagen. Ook de weergave van kwantitatieve data, zoals de bevolking of temperatuur kan vaak effectiever worden geïnterpreteerd in 3D.

    Global en Local scenes

    ArcGIS Pro biedt de mogelijkheid om data in 3D weer te geven in twee weergavemodi: een Global scene en een Local scene. Een Global scene wordt gebuikt voor data met locatiegegevens die een groot deel van de aarde bestrijken en waarbij de kromming van de aarde een belangrijk element is. In een Global scene wordt de kaart in een vast coördinatensysteem, WGS84, getoond. Een basiskaart is noodzakelijk in een Global scene, maar hoogtegegevens hoeven niet noodzakelijkerwijs in de data te zitten.

    Als de data een kleiner gebied beslaat ligt de keuze voor een Local scene voor de hand. In een Local scene wordt data in een geprojecteerd coördinatensysteem getoond en wordt data getoond waarbij er geen rekening gehouden hoeft te worden met de kromming van de aarde. Het is hierbij alleen mogelijk om een algemeen bekend en niet-geconfigureerd geprojecteerd coördinatensysteem toe te kennen aan een Local scene.

    Veranderen van scene

    In ArcGIS Pro staat de ‘scene’-optie standaard op ‘Global’. Een .sxd-bestand geldt als uitzondering, dit bestand wordt in de ‘Local’ weergavemodus geopend. Het is mogelijk om de weergavemodus aan te passen door in het view-tabblad te kiezen voor ‘Global’ of ‘Local’. In sommige gevallen staat zowel Global als Local uitgegrijsd, dit komt doordat er een map in plaats van een scene geopend is.

    De standaardinstelling voor ‘Global’ kan aangepast worden naar ‘Local’ door de volgende stappen te zetten in ArcGIS Pro: ga naar Project – kies voor Options – en vervolgens voor Maps and Scenes – en kies onder Scene voor Local.

    Maken en delen

    Met ArcGIS Pro kan een web scene (Local of Global) gemaakt en gedeeld worden om vervolgens gehost te worden in ArcGIS Online en/of Portal for ArcGIS. Een Global of Local scene kan aangemaakt worden met bestaande 2D- of 3D-weblayers of datalayers die zijn gepubliceerd als web layers. Alle bestaande cached layers, zoals web scene layers, web tile layers en elevation layers moeten daarbij wel in hetzelfde coördinatensysteem staan als de basiskaart.
    Bij het publiceren van een web scene blijven alle transparantie-, contrast- en schaduwinstellingen die zijn opgeslagen behouden. Ook bladwijzers worden meegenomen met publiceren. Al deze instellingen kunnen na het delen dynamisch gewijzigd worden.


    Werken met LAS data in ArcGIS Pro

    Lidar (light detection and ranging) is een remote-sensing techniek waarbij een laser wordt gebruikt om de oppervlakte van de aarde in kaart te brengen met x,y,z-waardes. Al de verzamelde punten kunnen weergegeven worden als puntenwolk vanuit een LAS dataset. Een LAS dataset layer is in ArcGIS Pro zowel in 2D als 3D beschikbaar en daarbij geldt dat een in eerdere versies van ArcGIS Desktop of ArcGIS Pro gecreërde LAS dataset in de recente versies toegevoegd en gebruikt kan worden. Hiermee blijft de gecreërde content altijd bruikbaar. In dit artikel wordt aandacht besteed aan de mogelijkheden die ArcGIS Pro biedt voor het werken met LAS data.

    Toevoegen van een LAS dataset aan de map view

    Als een nieuw project geopend wordt in ArcGIS Pro dan dient er een nieuwe kaart ingeladen te worden. Dit kan gedaan worden door vanuit het Insert tab op New Map te klikken. Er zijn vervolgens twee manieren om een LAS dataset layer toe te voegen aan de nieuwe Map View. De eerste is door een connectie met een folder te maken en de tweede is door de Add Data button te gebruiken.

    Folder connectie

    Om een connectie met een folder te maken waar een LAS dataset is opgeslagen kunnen de volgende stappen genomen worden.

    • Klik op Add Folder in de Insert tab
    • Browse naar de betreffende folder
    • Klik vervolgens op OK om de connectie met de folder te maken
    • Klik op de Catalog button in de View tab om het Catalog scherm te openen
    • Sleep vervolgens de LAS dataset naar de kaart
    Add Data button

    Het toevoegen van een LAS dataset aan de kaart via de Add Data button kan door middel van de volgende stappen.

    • Klik op de Add Data button in de Map tab
    • In de dialog box browse naar de LAS dataset en klik op Open
    • De LAS dataset opent in de map view

    Na het toevoegen van (een) LAS dataset layer(s) kan er met de LAS data aan de slag gegaan worden.

    Contextgedreven

    ArcGIS Pro is contextgedreven, dat betekent dat de opties die zichtbaar worden in de ribbon afhankelijk zijn van het type data dat geselecteerd is in het contents scherm. Wanneer een LAS dataset layer geselecteerd wordt dan verschijnen er in de Ribbon bijbehorende tabbladen. Dit zijn:

    • Appearance: basisfunctionaliteit voor het weergeven van en het filteren binnen de LAS dataset.
    • Data: datamanagement en analyses met betrekking tot LAS datasets.
    • Classification: aanpassen van de classification codes.

    De functionaliteit die in deze tabs zichtbaar is, bestaat alleen uit opties die relevant zijn voor een LAS dataset layer. Wanneer meerdere LAS datasets tegelijk geselecteerd worden, wordt er een beperkt aantal functies weergegeven. Let op: Display en Analysis functionaliteit is alleen te gebruiken wanneer slechts een LAS dataset layer geselecteerd is.

    Analyse

    Er zijn tools beschikbaar die LAS data kunnen analyseren. Een voorbeeld is de Polygon Volume tool die berekent wat het volume- en het oppervlaktegebied is tussen een polygoon en de oppervlakte. Een ander voorbeeld is de Classify LAS Noise tool, deze tool zorgt ervoor dat punten die een ongewenste invloed hebben op de visualisatie van de data worden verwijderd. Een voorbeeld hiervan zijn hoogvliegende vogels die als data zijn ingewonnen; deze vogelpunten kunnen met behulp van deze tool geïdentificeerd en eruit gefilterd worden.

    Snapping bij Editing

    Tijdens een editsessie is het bij het creeëren van features mogelijk om te snappen aan de puntenwolk. Hierdoor kunnen objecten waarheidsgetrouw op schaal worden ingetekend; dit geldt ook voor de z-waarde van een object. Nieuw gebouwde objecten kunnen hiermee worden ingetekend en zodoende toegevoegd worden aan een stadsgezicht, waardoor het stadsgezicht een actueel beeld geeft.

    Consumeren als Scene Layer

    De schaal van puntenwolk scene layers kan veranderd worden, waardoor het gebruik van grote puntenwolk datasets mogelijk wordt en deze datasets snel en efficiënt blijven werken. Puntenwolk scene layers werken efficiënt doordat de gevisualiseerde gebieden worden weergegeven op een optimale resolutie (rendered). Daarbij is het mogelijk om met ‘Display Limit’ en ‘Density’ het aantal weer te geven punten in te stellen. Dit kan gedaan worden door:

    • Een puntenwolk scene layer te selecteren,
    • En vervolgens in het Appearencetabblad, in de ‘Point Display’ groep te kiezen voor de ‘point thinning options’.

    Standaard wordt het limiet gezet op 1.000.000 punten. Ook de dichtheid van de weer te geven punten kan worden aangepast met een schuifbalk tussen ‘Min’ en ‘Max’.

    Publiceren

    Puntenwolk scene layers kunnen gecreërd worden door een scene layer package (*.slpk) aan te maken en te publiceren als scene service in Portal for ArcGIS of ArcGIS Online met de Share Package geoprocessing tool. Een puntenwolk scene layer ondersteunt alleen het gebruik van puntenwolkdata in LAS formaat. Optimized LAS-bestanden (*.zlas) worden niet ondersteund, indien een LAS dataset naar een *.zlas-bestand verwijst wordt deze genegeerd. Belangrijk om te weten is dat een puntenwolk alleen wordt weergegeven in een 3D-scene.

    In dit technische artikel zijn de mogelijkheden die ArcGIS Pro biedt voor het werken met LAS data aan bod gekomen. Voor meer informatie in detail over het werken met LAS data in ArcGIS Pro zijn de volgende webpagina's te raadplegen.

    What is a LAS dataset?
    Point cloud scene layer
    Use lidar in ArcGIS Pro


    CSV-bestand inladen in ArcGIS Pro

    Ruimtelijke data is niet altijd opgeslagen in een geografisch dataformaat. Zo kan data waaraan een locatie gekoppeld is, bijvoorbeeld ook in een tabel opgeslagen zijn. Met ArcGIS Pro kan zo’n tabel met ruimtelijke informatie worden omgezet naar een geografisch dataformaat, zodat hiermee geografische analyses kunnen worden uitgevoerd. In dit artikel wordt stap voor stap uitgelegd hoe het transformeren van een tabel naar een feature layer werkt.

    Stap 1: Van tabel naar XY Event layer

    Veel tabellen zijn opgeslagen in CSV-formaat. Door de volgende stappen te volgen, kan hier een feature layer van gemaakt worden.

    1. Klik op de Map tab in de ribbon, klik vervolgens op de Add Data-knop en kies voor de bovenste optie in het drop-downmenu (‘Data: Add data to the map’).
    2. In het Add Data-venster, kun je navigeren naar de locatie waar de CSV is opgeslagen. Zoek de juiste CSV op en klik op OK.De tabel is nu toegevoegd in de Contents pane, onder Standalone Tables.
    3. Je kunt de inhoud van de tabel bekijken door met de rechtermuisknop op de tabel in de Contents pane te klikken en vervolgens te kiezen voor Open.
    4. Wanneer de tabel X- en Y-coördinaten bevat, kan hier vervolgens een puntenlaag van gemaakt worden.
      Klik met de rechtermuisknop op de tabel in de Contents pane en kies voor Display XY Data. Nu opent de Make XY Event Layer tool in de Geoprocessing pane.
    5. Controleer of de juiste velden worden gebruikt voor de X- en Y-coördinaten. Controleer ook of het juiste coördinatensysteem wordt gebruikt onder ‘Spatial Reference’.
    6. Klik op Run. Er is nu een laag aangemaakt, welke zichtbaar is in de Contents Pane. Meer informatie over deze laag, kun je vinden in de Layer Properties.
    7. Klik met de rechtermuisknop op de laag en ga naar Properties.
    8. Ga vervolgens naar de Source tab.
      Onder Data Source is te zien wat voor data type de laag heeft. In dit geval is er een XY Event Source aangemaakt. Dit is een laag zonder ObjectID. Een XY Event Layer is geschikt voor dataweergave, maar niet om analyses mee uit te voeren. Om analyses uit te kunnen voeren, zal er een feature class van moeten worden gemaakt.

    Stap 2: Van XY Event Layer naar Feature Class

    Volg deze stappen om een feature class te maken van een XY Event Layer:

    1. Zorg dat de betreffende XY Event Layer geselecteerd is in de Contents pane.
    2. Klik in de Ribbon onder Feature Layer op de Data tab. Klik daar vervolgens op Export Features. Nu wordt de Copy Features tool geopend in de Geoprocessing pane. Omdat de juiste laag al geselecteerd is, staat deze al onder Input Features in de tool.
    3. Geef onder Output Feature Class een naam op voor de nieuwe feature class.
    4. Om te zorgen dat de nieuwe feature class het gewenste coördinatensysteem meekrijgt, is het goed om deze in te stellen voordat de tool uitgevoerd wordt. Ga naar de Environments tab in de Geoprocessing pane.
    5. Kies onder Output Coordinate System voor het gewenste coördinatensysteem. In het drop-downmenu kan er gekozen worden uit het systeem dat gelijk is aan de XY Event Layer of aan de map waarin deze zich bevindt. Wanneer een ander systeem gewenst is, klik dan op het wereldbolletje naast het drop-downvenster en maak hier een keuze.
    6. Run de tool.

    Er is nu een feature class gemaakt op basis van de data uit de CSV.


    Hoe kan ik incorrecte geometrie aanpassen in ArcGIS Pro?

    Bij het samenvoegen van bestanden uit verschillende bronnen, kan het voorkomen dat vlakken die tegen elkaar aan horen te liggen of lijnen die dezelfde weg of grens voorstellen, net enkele centimeters bij elkaar vandaan liggen of elkaar overlappen. Dit kan fouten in de data veroorzaken en bij latere aanpassingen en analyses voor problemen zorgen.

    ArcGIS Pro heeft diverse mogelijkheden om dit soort problemen te corrigeren. Een aantal mogelijkheden valt onder de topologiefunctionaliteit, maar er zijn ook een aantal geoprocessing tools die een oplossing kunnen bieden.

    1. Topologie

    De topologiefunctionaliteit is beschikbaar met een Standard of Advanced licentie en betreft een verzameling van regels die bepalen hoe features zich geometrisch tot elkaar moeten verhouden. ArcGIS Pro biedt twee typen topology: Map topology en Geodatabase topology.

    Map topology

    Map topology kan direct – zonder instellingen vooraf – worden ingeschakeld via de Edit tab onder de Manage Edits groep. Met Map topology kunnen topologische edges en nodes voor alle zichtbare lagen worden bewerkt tijdens een edit sessie middels de beschikbare tools in het Modify Features pane. Tijdens het editen van features zal de geometrische correctheid van features worden gewaarborgd.

    Geodatabase topology

    Via de Edit tab onder de Manage Edits groep, is de Error Inspector te vinden. Met deze functionaliteit is het mogelijk om Geodatabase topology fouten op te sporen en te repareren.

    Maak een topology aan via de ‘Create Topology’ tool uit de ‘Data Management Tools’ toolbox. Deze tool is beschikbaar met een Standard of Advanced licentie. De topologie wordt vervolgens in een feature dataset opgeslagen en kan worden toegevoegd aan de kaart. Met de Error Inspector kan na het aanmaken van Topology rules een analyse worden uitgevoerd op de data.

    In het volgende technische artikel is beschreven hoe de topology rules kunnen worden aangemaakt (met de ‘Add Rule To Topology’ tool): http://pro.arcgis.com/en/pro-app/help/data/topologies/creating-a-topology.htm

    Een overzicht van alle topology regels die gebruikt kunnen worden om de dataset te controleren op mogelijke onvolkomenheden, kan worden gevonden op: http://pro.arcgis.com/en/pro-app/help/editing/pdf/topology_rules_poster.pdf

    2. Geoprocessing tools

    Naast topologie kan ook gebruik worden gemaakt van een aantal geoprocessing tools om fouten in datasets op te sporen en te corrigeren.

    Eliminate (Advanced tool)

    Tijdens het samenvoegen van polygonen kunnen smalle stroken ontstaan tussen de samengevoegde polygonen. Deze smalle polygonen worden ook wel slivers genoemd (zie onderstaande afbeelding). De ArcGIS Pro Advanced tool ‘Eliminate’ maakt het mogelijk om deze slivers te verwijderen. De ‘Elimate’ tool is te vinden via de ‘Data management tools’ toolbox -> ‘Generalization’.

    De ‘Eliminate’ tool verwijdert de tussengelegen vlakken niet, maar voegt de ontstane slivers toe aan de naastgelegen vlakken. Voorafgaand aan het starten van de tool kan worden gekozen hoe de tool om moet gaan met de slivers. Er kan gekozen worden voor het toevoegen van de polygoon aan het grootste aangrenzende vlak of voor het vlak waarmee de grootste grens gedeeld wordt.

    Het kiezen van welke vlakken verwijderd dienen te worden, gebeurt aan de hand van een selectie. Kies voor vlakken die een bepaald relevant attribuut missen of voor vlakken kleiner dan een bepaald oppervlak. Bij de laatste keuze moet goed worden nagegaan wat de oppervlakte is van de kleinste relevante vlakken. Deze mogen natuurlijk niet verdwenen zijn na het uitvoeren van de tool.

    Meer informatie over de ‘Eliminate’ tool is terug te vinden op: http://pro.arcgis.com/en/pro-app/tool-reference/data-management/eliminate.htm

    Integrate (Basic, Standard, Advanced tool)

    Een andere tool die gebruikt kan worden voor het oplossen van incorrecte geometrie is de ‘Integrate’ tool. Deze is beschikbaar met zowel een Basic, Standard als Advanced licentie voor ArcGIS Pro. De tool is te vinden via de ‘Data Management Tools’ toolbox -> Feature Class. Deze tool zorgt ervoor dat objecten geometrisch gelijk worden. In de tool kun je de maximale verschuivingswaarde (tolerance) opgeven. In de afbeelding hieronder is te zien wat de tool precies doet.

    Meer informatie over de ‘Integrate’ tool is terug te vinden op: http://pro.arcgis.com/en/pro-app/tool-reference/data-management/integrate.htm.