Toegepaste applicaties


Integratie van ArcGIS Online en Portal for ArcGIS in GeoWeb

GeoWeb Manager

ArcGIS Online/Portal for ArcGIS-content toevoegen aan een Geoweb-site

Het is altijd mogelijk om content te benaderen dat met iedereen is gedeeld.
Om privé content (content dat je zelf hebt gemaakt of dat binnen de organisatie of met een groep is gedeeld) aan een GeoWeb-site toe te voegen, moet eerst de toegang tot het portaal (dezelfde werkwijze voor ArcGIS Online en Portal for ArcGIS) worden geconfigureerd.
Dit doe je door in de Post Installer voor ‘ArcGIS’ als Sign-In methode te kiezen. Voer vervolgens de URL in van het ArcGIS Online of respectieve het Portal for ArcGIS-portaal:

Na deze configuratie is het inloggen op de GeoWeb Manager met het ArcGIS Online/Portal for ArcGIS-account vereist en heb je toegang tot de privé content.

Om vervolgens content aan de site toe te voegen, kunnen de volgende stappen worden gevolgd:

  • Open een site in de GeoWeb Manager.
  • Ga naar de MAP pagina.
  • Klik op ADD MAP SERVICE .
  • Zoek naar de map service die je wilt toevoegen. Dit kan je doen met de URL van de service of een zoekterm. Het is mogelijk om een filter aanzetten zodat je alleen binnen de organisatie zoekt of deze functie uit te schakelen. Naast het zoeken naar map services heb je ook de mogelijkheid om te bladeren door de map services in bestaande serviceconnecties of om nieuwe serviceconnecties aan te maken.
  • Klik op ADD TO MAP.
  • Klik APPLY CHANGES.
  • Klik SAVE SITE.

Nieuwe site aanmaken met een web map uit ArcGIS Online of Portal for ArcGIS

Het is mogelijk om een nieuwe site in GeoWeb aan te maken die verwijst naar een web map in ArcGIS Online of Portal for ArcGIS. Hiermee wordt de configuratie overgenomen van de betreffende web map. De site zal de onderdelen en instellingen van de web map bevatten inclusief de objectlagen, bookmarks en pop-up schermen.

Na het starten van de GeoWeb Manager kan via de knop ADD NEW SITE een nieuwe site worden aangemaakt.

De CREATE SITE WIZARD wordt gestart. Na het toevoegen van de naam en een optionele beschrijving verschijnt het volgende keuzemenu:

Je kunt kiezen voor bijvoorbeeld een web map van ArcGIS Online of Portal for ArcGIS. Door het toevoegen van de URL wordt de verwijzing toegevoegd.

Let op:
Als in een site een verwijzing is opgenomen dan blijft deze gekoppeld aan de bron. Als de web map verandert, wordt deze wijziging overgenomen in de site.

Maar de overgenomen configuratie kan verder worden bewerkt in de GeoWeb Manager. Deze wijzigingen hebben voorrang boven de originele configuratie.

Voorbeeld:
Een web map heeft een favoriete locatie “Station” en de naam wordt in de Manager aangepast in “Centraal Station” dan blijft deze naam bestaan in GeoWeb. Wanneer vervolgens de favoriete locatie zou worden aangepast in de web map in ArcGIS Online of Portal for ArcGIS dan blijft het gebied dus “Centraal Station” heten in GeoWeb.

Verwijzing toevoegen naar een web map vanuit een bestaande site

Ook bij bestaande sites is het mogelijk om een verwijzing naar een web map uit ArcGIS Online of Portal for ArcGIS toe te voegen. De site bevat daarna de onderdelen en instellingen van de web map inclusief de objectlagen, bookmarks en pop-up schermen.

Hiervoor kunnen de volgende stappen worden gevolgd:

  • Selecteer SITE INFO in de site waarin je een verwijzing wilt toevoegen.
  • Klik vervolgens op de knop ADD REFERENCE in het geactiveerde scherm.
  • De wizard voor het aanmaken van een Reference wordt dan gestart. Kies voor REFERENCE A WEB MAP FROM ARCGIS ONLINE OR PORTAL FOR ARCGIS.
  • Voeg de URL van de web map toe.
  • Klik FINISH

GeoWeb Viewer

Naast de configuratie in de GeoWeb Manager is de content uit ArcGIS Online ook vanuit de GeoWeb Viewer benaderbaar. Er zijn twee tools beschikbaar:

  • Bekijk Mijn Content
  • Exporteren naar ArcGIS

Bekijk Mijn Content

Het is mogelijk om ArcGIS Online content vanuit de GeoWeb Viewer te bekijken. Om dit te doen, moet je inloggen in de viewer.

  • Klik op de knop met de inloggegevens van het portaal.
  • De knop BEKIJK MIJN CONTENT kan op verschillende plaatsen geconfigureerd zijn in de viewer. Standaard staat deze onder het tabblad ARCGIS. Een apart tabblad wordt geopend.
  • Het CONTENT-tabblad van ArcGIS Online opent. Je kan nu jouw ArcGIS Online-content bekijken en beheren.

Exporteren naar ArcGIS

Het is verder mogelijk om de kaart uit GeoWeb te exporteren als een web map om deze binnen het ArcGIS Online-portaal te gebruiken. Om te kunnen exporteren, moet je inloggen in de viewer.

  • In de GeoWeb Viewer: klik de knop met de inloggegevens van het portaal.
  • De knop EXPORTEREN NAAR ARCGIS kan op verschillende plaatsen geconfigureerd zijn in de viewer. Standaard staat deze onder het tabblad ARCGIS.

    Het EXPORTEER WEB MAP-scherm verschijnt.
  • Geef een naam voor de web map op en klik de knop EXPORTEREN.
    Je krijgt een melding dat jouw kaart geëxporteerd is. Je kunt de web map gelijk openen in ArcGIS Online.
  • Klik dan de knop OPEN IN ARCGIS. Een nieuw tabblad wordt geopend.

De kracht van grafieken in GeoWeb

Grafieken zijn handig om trends en statistieken van geografische data te visualiseren. GeoWeb biedt de mogelijkheid om grafieken voor één als ook van meerdere kaartlagen te tonen.
Bij het werken met grafieken is het belangrijkste om de juiste grafiek voor de betreffende dataset te kiezen. Bij het vergelijken van één of meer categorieën kunt u het beste een taartdiagram of staafdiagram kiezen, terwijl en lijndiagram beter geschikt is om trends over een bepaalde periode te visualiseren.

Bij de configuratie in de GeoWeb Manager bestaat de keuze uit taartdiagrammen en lijndiagrammen. Daarnaast is het mogelijk de configuratie in te stellen voor één of voor meerdere objecten.

Voorbeelden:

Eén object - Taartdiagram met de verdeling van huishouden in Feijenoord, gemeente Rotterdam

Meerdere objecten - Maximale magnitude per jaar van 1279 aardbevingen omtrent Groningen

Hoe voeg ik een grafiek toe aan mijn GeoWeb Viewer?

De configuratie van de grafiek wordt in de GeoWeb Manager uitgevoerd. Daar kan je ook instellen wanneer de grafiek getoond wordt, bijvoorbeeld bij het selecteren van één of meerderde objecten.

  • Start de Manager en klik de knop EDIT SITE
  • Aan de linkerkant van het scherm, klik op MAP en laat alle kaartlagen van de mapservice zien.
  • Kies de kaartlaag waarvoor je een grafiek wilt configureren en klik de knop EDIT LAYER.
  • Selecteer het CHARTS-tabblad.
  • Klik de knop ADD CHART. Een wizard verschijnt.
    • In de wizard kun je instellen wat de naam (DISPLAY NAME) van de grafiek is, welk TYPE grafiek je wilt gebruiken en of de grafiek gegevens van een enkel object (SINGLE FEATURE) of meerderde objecten (MULTIPLE FEATURES) tegelijk weergeeft.
  • Klik de knop FINISH om de nieuwe grafiek aan te maken. De grafiek verschijnt in de lijst met grafieken.

Welke configuratie-opties daarnaast nog mogelijk zijn, is gedetailleerd beschreven in de beheerdershandleiding van de Manager of in het documentatie center van Latitude.

Welke grafiek kan jouw analyse het beste ondersteunen?


Tijdschuifbalk in GeoWeb

Tijdanalyse laat patronen zien die alleen door het vergelijken van verschillende momentopnamen zichtbaar worden. GeoWeb biedt (vanaf versie 5.2) de mogelijkheid om een tijdschuifbalk te configureren om kaarten en objecten, van verschillende tijdstippen (dagen, maanden, jaren), met elkaar te kunnen vergelijken.
Hierbij een voorbeeld van panden die in de jaren tussen 1865 en 1905 zijn gebouwd en tegenwoordig nog in het centrum van Rotterdam staan.

Welke voorwaarden zijn vereist om een tijdschuifbalk te kunnen configureren?

  • De GeoWeb Manager moet een kaartlaag met de dimensie tijd bevatten. Dit wil zeggen dat de kaartlaag een attribuutveld dient te hebben van het type ‘datum/tijd’ en de factor tijd dient geactiveerd te zijn voor de betreffende kaartlaag voordat de data wordt gepubliceerd.
  • Tijdschuifbalken hebben een bepaald tijdsbereik. De tijd van elk datapunt moet binnen dit bereik liggen.
    • Het tijdsbereik van een mapservice, met meerdere tijd ondersteunende kaartlagen, omvat het totale tijdsbereik van alle tijd ondersteunende kaartlagen.
    • Het tijdsbereik van de kaart omvat het totale tijdbereik van alle mapservices met tijd ondersteunende kaartlagen.

Hoe configureer ik een tijdschuifbalk in de GeoWeb Manager?

Beheerders kunnen de tijdschuifbalk configureren. De WebViewer gebruikt dan deze configuratie om de tijdschuifbalk te tonen. De eindgebruiker kan door het verschuiven van de balk de kaartsituatie door de tijd heen veranderen en kan ook zelf instellingen aanpassen in de viewer.

  • Open een site in de GeoWeb Manager.
  • Ga naar de MAP pagina.
  • Klik op MAP SERVICES.
  • Klik op EDIT MAP SERVICE achter de betreffende mapservice.
  • Ga naar het FUNCTIONAL-tabblad.
  • Vink OVERRIDE START TIME SETTINGS aan. Als je deze instelling niet ziet, dan bevat de betreffende mapservice geen tijd ondersteunende kaartlagen.
  • Pas, indien gewenst, de start- en eindtijd aan bij START TIME en END TIME .
    Je kunt het tijdsbereik van de mapservice overnemen of de tijdspanne zo configureren dat slechts een deel van de gegevens getoond wordt in de viewer.
  • Klik op APPLY SETTINGS en SAVE SITE.

De tijdschuifbalk kun je configureren vanuit de TIME SLIDERS pagina in het zijpaneel van de GeoWeb Manager.

  • Klik op de knop IMPORT TIME SLIDER om een time slider uit een kaartlaag aan de site toe te voegen. De naam en het extent van de tijdschuifbalk worden dan gegenereerd vanuit de bestaande informatie van de kaartlaag.
  • Je kan er ook voor kiezen om een nieuwe, zelf geconfigureerde, tijdschuifbalk toe te voegen met behulp van de knop ADD TIME SLIDER .
  • Alle tijdschuifbalken die aan de site zijn toegevoegd, zijn standaard zichtbaar bij het opstarten van de WebViewer.

    Het is overigens ook mogelijk ArcGIS Server-streamlagen (stream layers) toevoegen aan een GeoWeb-site om realtime data te tonen van de ArcGIS Server GeoEvent extensie via HTML5 WebSocket-technologie. Browsers waarmee je de WebViewer opent dienen deze technologie te ondersteunen.


    Google Street View-integratie in GeoWeb

    In de GeoWeb WebViewer is het mogelijk om Google Street View-foto’s te openen via het rechtermuisknopmenu. Daarnaast kunnen Google Street View-foto’s ook worden geïntegreerd in de objectbeschrijving. Dit is bijvoorbeeld handig als je een kaartlaag hebt met adressen, zoals de BAG-adressen. Dit artikel beschrijft hoe deze integratie gerealiseerd kan worden.

    Opmerking: Google heeft onlangs de eisen voor het gebruik van Google Street View aangescherpt waardoor het gebruik van een Google API key noodzakelijk is om Google Street View-foto’s te benaderen. Het aanvragen van een Google API key kan via https://developers.google.com/maps/documentation/streetview/get-api-key.

    A.1 Integratie van Google Street View-foto’s in het rechtermuisknopmenu

    Voor het openen van Google Street View-foto’s via het rechtermuisknopmenu dien je de volgende stappen te volgen:

    Configuratiestappen

    1. Ontzip het bestand GoogleStreetView.zip naar een willekeurige locatie op de GeoWeb-server.
    2. Kopieer het bestand ‘GoogleMaps.html’ naar de ‘3rdPartyMaps’ folder in de IIS Virtual Directory van de WebViewer (C:\inetpub\wwwroot\\Resources\3rdPartyMaps).
    3. Open het bestand in een teksteditor en voeg de Google API key toe op regel 10.
      Voorbeeld:
    4. Controleer of de toegang tot de Google Maps JavaScript API geactiveerd is via https://console.developers.google.com/apis/dashboard.
    5. Maak een veiligheidskopie aan van het viewer configuratiebestand (bijvoorbeeld ‘Desktop.json.js’ voor de desktop viewer). Dit bestand bevindt zich standaard op C:\Program Files (x86)\Latitude Geographics\Geocortex Essentials\\REST Elements\Sites\\Viewers\\VirtualDirectory\Resources\Config\Default
    6. Open het originele viewer configuratiebestand.
    7. Zoek naar “externalComponents”.
    8. Voeg het volgende toe aan deze module:

      {
      "id": "googleMaps",
      "displayName": "Google Street View",
      "uri": "Resources/3rdPartyMaps/GoogleMaps.html",
      "viewpointIndicatorUri": "Resources/Images/Icons/location-direction- blue-32.png"
      }

      Voorbeeld:

    9. Zoek vervolgens naar "id": "MapContextMenu".
    10. Voeg het volgende toe aan het einde van deze ‘MapContextMenu’ module.

      {
      "iconUri": "Resources/Images/Icons/center-map-24.png",
      "text": "Open hier Google Street View",
      "batch": [
      {
      "command": "PanToPoint",
      "commandParameter": "{{context}}"
      },
      {
      "command": "RunWorkflowById",
      "commandParameter": "OpenHierStreetView"
      }
      ]
      }

      Voorbeeld:

    11. Sla het bestand op.

    Toevoegen OpenStreetView-workflow

    1. Ontzip het bestand Rechtermuis.zip naar een willekeurige locatie op de GeoWeb-server.
    2. Kopieer het bestand ‘OpenStreetView.xaml’ naar een folder op de Site directory, bijv. in de ‘Resources’ folder. Deze staat standaard op C:\Program Files (x86)\Latitude Geographics\Geocortex Essentials\\REST Elements\Sites.
    3. Open vervolgens de betreffende GeoWeb-site in de GeoWeb Manager.
    4. Ga naar het Workflows-tabblad en klik op ‘Add Workflow’.
    5. Vul de tekst ‘OpenStreetView’ in bij ‘Display Name’.
    6. Klik op de Browse-knop.
    7. Klik op de map ‘Resources’, kies het workflow bestand ‘OpenStreetView.xaml’ en klik vervolgens op ‘OK’. Het scherm ziet er dan als volgt uit:
    8. Klik op ‘Next’ en vervolgens op ‘Finish’.
    9. Open nu de viewer (bijv. via Viewers in de GeoWeb Manager).
    10. Klik met de rechtermuisknop op een locatie. De Google Street View-foto opent nu onder in het scherm.
    11. A.2 Integratie van Google Street View-foto’s in de objectbeschrijving

      Het is ook mogelijk om Google Street View-foto’s te integreren in de objectbeschrijving. Bij een bevraging in de viewer worden deze dan getoond als onderdeel van de objectinformatie.

      Voorbeeld:


      Een voorwaarde voor het integreren van de foto’s in de objectbeschrijving is dat de betreffende kaartlaag attribuutvelden bevat met adresgegevens, bijvoorbeeld {Straat} {Huisnummer} en {Plaats}.

      Om de foto te integreren dien je de volgende stappen te volgen:

      1. Open de betreffende GeoWeb-site in de Manager.
      2. Ga naar het Map-tabblad
      3. Klik op ‘Edit layer’ achter de kaartlaag waaraan je de Google Street View-foto’s wilt toevoegen.
      4. Voeg het volgende toe aan de ‘Feature Long Description’ waarbij de tekst tussen accolades de adresvelden zijn en ‘key’ de Google API key is:
        <img src="https://maps.googleapis.com/maps/api/streetview?size=200x133&location={Straat} {Huisnummer} {Huisletter} {Huisnummertoevoeging},{Plaats}&fov=90&pitch=-10&sensor=false&key=#######" style="font-size: 10pt;"/>
      5. Bij het bevragen van de objecten uit deze kaartlaag wordt nu de Google Street View-foto geopend in de objectbeschrijving.

        Beperkingen aan het gebruik:
        Google heeft onlangs de eisen voor het gebruik van Google Street View aangescherpt waardoor het gebruik van een Google API key noodzakelijk is om Google Street View foto’s te benaderen. Het aanvragen van een Google API key kan via developers.google.com/maps/documentation/streetview/get-api-key.
        Let op: Het gebruik van Google Streetview binnen de eigen applicatie via de Google API is niet in alle gevallen toegestaan of gratis. Er zijn beperkingen en/of kosten aan verbonden. Voor de meest actuele versie van de complete voorwaarden raadpleeg deze site: developers.google.com/maps/terms. Vooral artikel 10.4 sectie C beschrijft de aangescherpte gebruiksvoorwaarden van Google. Lees deze goed door!
        In het geval u twijfelt over de toepassing van deze voorwaarden binnen uw organisatie kunt u er altijd voor kiezen om Google Streetview in een apart venster binnen uw browser te openen. Hier zijn geen beperkingen aan verbonden.




      Hoe voeg ik een afbeelding van een object toe aan een rapport?

      Het is mogelijk om een afbeelding te tonen in een rapport in GeoWeb, wanneer een objectlaag een attribuutveld bevat met een verwijzing naar een afbeelding. Dit kan worden geconfigureerd met behulp van een script in de Report Designer.

      In het volgende voorbeeld gaan we een foto van een perceel opnemen in het perceelrapport van de GeoStede-site die meegeleverd wordt met GeoWeb. Voorwaarde voor het kunnen toevoegen van een foto aan dit rapport is dat er een attribuutveld wordt opgenomen in de kaartlaag met de percelen met daarin de naam van de foto (zie onderstaand voorbeeld):

      De bijhorende fotobestanden dienen vervolgens te worden gekopieerd naar de ‘wwwroot’ folder (of naar een subfolder) op de GeoWeb-server. In het onderstaande voorbeeld is ervoor gekozen om de foto’s te plaatsen in een subfolder met de naam ‘Bijlagen’:

      Om de foto’s te tonen in het rapport dient er een script te worden toegevoegd aan het rapport template. Open hiervoor het rapport template (*.rpx) of maak een nieuw rapport template aan in de Report Designer.

      Vervolgstappen in Report Designer:

      1. Voeg een ‘Picture’ control toe aan het rapport

      2. Klik op het ‘Script’ tabblad (onderaan het scherm) en voeg het volgende script toe:

        Toelichting script:
        "Detail1" = onderdeel van het rapport dat de ‘Picture’ control bevat
        "Picture1" = naam van de ‘Picture’ control
        “http:///Bijlagen/” = URL naar de folder met de foto’s op de GeoWeb-server
        "Bijlage" = attribuutveld dat de naam van de foto bevat

      3. Sla het bestand op.

      Vervolgens kan het rapport template worden opgenomen in de GeoWeb-site.

      1. Klik hiervoor op ‘Edit layer’ achter de betreffende kaartlaag (in dit geval de percelen laag) in de GeoWeb Manager.

      2. Ga naar het ‘Reports’ tabblad en voeg het rapport template toe (via ‘Add Report’):

      3. Klik op ‘Save Site’.

      Het rapport kan nu worden geopend via de bijhorende GeoWeb-viewer. Open hiervoor de viewer en selecteer de gewenste objecten in de kaart of voer een zoekopdracht uit naar deze objecten via het Global Search venster. De resultaten openen in de resultatenlijst aan de linker kant van de viewer. Via het contextmenu kan vervolgens het rapport worden gegenereerd:

      Onderstaand het resulterende perceelrapport met daarin een foto van het perceel:


      Toevoegen van extra functies in de functiebalk van GeoWeb

      De GeoWeb WebViewer (HTML5-viewer) van GeoWeb 5.1 bevat vele voor-geconfigureerde functies met functieknoppen die niet per se altijd al standaard in de functiebalk van de viewer zichtbaar zijn. Deze kunnen echter wel eenvoudig toegevoegd worden. Daarbij kan de volgende keuze gemaakt worden: de functieknop zelfstandig toevoegen of onderdeel uit laten maken van een verzameling van dezelfde functies in de zogenaamde “Multitool”-representatie.

      In dit voorbeeld gaan we uit van GeoWeb 5.1 en voegen we extra schetsfuncties toe in de “Multitool-representatie ‘Schetsen’, zoals een pijl naar rechts.

             

      Stap 1

      Voordat we deze schetsfunctie kunnen toevoegen via de GeoWeb Manager, gaan we controleren of we in de iconenfolder ook de gewenste iconen aantreffen. In dit geval zoeken we naar het icoon met het pijltje naar rechts. Er zijn heel veel (ongebruikte) iconen te vinden in de IIS\wwwroot folder bij de betreffende GeoWeb WebViewer.

      Opmerking: om het zoeken in de toekomst te vereenvoudigen zijn alle iconen vanaf GeoWeb 5.2 ook te vinden in de ‘Voorbeelden’ folder van de GeoWeb-software setup folder.

      Tip 1: Noteer de namen van de gewenste iconen op het moment dat u via de verkenner alle iconen aan het bekijken bent. Via de Manager is het icoon namelijk niet zichtbaar, maar alleen de naam.

      Tip 2: Er zijn iconen in diverse grootte aanwezig. Neem het icoon met dezelfde afmetingen als de overige iconen. Bijvoorbeeld 16*16 pixels

      Voor dit voorbeeld kopiëren wij het icoon draw-arrow-16.png naar de ‘VirtualDirectory’ folder van de viewer. Het icoon kan eventueel ook in een subfolder gezet worden:

      <GeoWebInstallatie>\Sites\<Sitenaam>\Viewers\EsriNL_Content\VirtualDirectory\Resources\Images\<subfolder optioneel>

      Het belangrijkste doel is dat dit icoon straks via de Manager goed te vinden is en dat de software ook de juiste rechten heeft om het icoon te laten zien aan de eindgebruiker. De folder ‘VirtualDirectory’ is daarop voorbereid.

      Een andere optie is om het gewenste icoon te uploaden vanuit de IIS\wwwroot folder. Klik hiervoor op de ‘Upload’-knop in het Select File-venster in de Manager.

      Stap 2

      De schetsfuncties zijn verzameld in een zogenaamde “Multitool-representatie”. Dit wil zeggen dat er een uitklapmenu tevoorschijn komt met meer opties dan alleen het kunnen tekenen van een punt, wat de standaardwaarde is. De Multitool ‘Schetsen’ staat in de subfolder Tools.

      Om aanpassingen te doen is het nodig tijdelijk de Multitool hoger te verschuiven in de hiërarchie, bijvoorbeeld direct onder de subfolder met de naam “Tools”.


      Om een extra functieknop toe te voegen gaan we eerst van de Multitool “Schetsen” een enkele toolverzameling maken. Dit doen we door het vinkje uit te zetten bij ‘Multitool’. Open hiervoor het ‘Bewerken’ scherm.

      Het resultaat is dat alle schetsfuncties onder elkaar komen te staan als afzonderlijke tools. Later zullen we van deze groep weer een Multitool maken.

      Stap 3

      Stap 3 bestaat uit het toevoegen van één of meer schetsfuncties. In dit voorbeeld voegen we de pijl naar rechts toe.
      • Klik op het groene plusje achter het woord “Schetsen”
      • Kies voor ‘Tool toevoegen’:

      • Vul het scherm als volgt in:
        • Naam: Pijl naar rechts
        • Gereedschaptip: Pijl naar rechts toevoegen
        • Verbergen bij uitschakelen: leeg laten
        • Afbeelding URL: Resources/Images/Custom/icons/toolbar/draw-arrow-16.png of zoek het gewenste icoon op via de Upload… knop
          {ViewerConfigUri}../../../Resources/Images/draw-arrow-24.png
        • Commando: AddMarkup
        • Tekenmodus: Pijl naar rechts
        • Status tekst: Klik en sleep op de kaart om een pijl te tekenen.
        • ‘Sticky’: aanvinken.

      Het resultaat ziet er dan als volgt uit:

      Stap 4

      We maken nu van de losse tools weer een Multitool door weer naar het ‘Bewerken’ scherm te gaan van de functie “Schetsen” en het vinkje ‘Multitool’ weer aan te vinken. Na het toepassen van de wijzigingen, kan de Multitool “schetsen” weer naar zijn oorspronkelijke plekje worden verzet. Kies ‘Wijzigingen toepassen’ en vergeet de site niet op te slaan!

      Het resultaat in de Manager ziet er zo uit:

      Resultaat

      Het resultaat in de viewer ziet er zo uit:

      Tip

      Door voor de tekenmodus niet voor Pijl naar rechts te kiezen maar voor Pijl, krijg je een ander effect. De pijl kan dan namelijk direct in de juiste richting worden gedraaid. De kanttekening is dat, in eerste instantie, de dikte niet kan worden aangepast.

      Is het toch nodig de dikte aan te passen kan de schets worden gewijzigd met de “Wijzigen functie”. De dikte en rotatiehoek, als ook de lengte kunnen nu wel worden aangepast.

                    



      Waarom kan ik mijn services niet zien in de GeoWeb WebViewer?

      Om een kaartbeeld te kunnen genereren in de GeoWeb WebViewer moet je webbrowser een request kunnen sturen naar de afbeeldingen uit de webservice om deze op te kunnen halen. Soms zijn er beperkingen die dit voorkomen zoals:

      • Het sturen van een request naar de server overtreedt het crossdomain beleid en/of is geen crossdomain beleidsbestand geconfigureerd.
      • De services die je wilt bevragen bevinden zich in een netwerk waar je niet rechtstreeks toegang toe hebt.
      • De services zijn beveiligd op een manier die de browser, API of plug-in niet kan omzeilen.

      Dit is vaak het geval bij het aanroepen van OGC-services of andere externe services zoals de BAG-geocoding service.

      Deze issues kunnen worden opgelost door het configureren van een proxy pagina. Esri heeft broncode beschikbaar gesteld voor een proxy applicatie (zie http://resources.arcgis.com/en/help/silverlight-viewer/concepts/index.html#//01770000004q000000). Een vergelijkbare applicatie wordt ook meegeleverd met de GeoWeb HTML5-viewer. Met deze proxy pagina geef je GeoWeb toegang tot bronnen die niet toegankelijk zijn vanwege bovengenoemde redenen.

      Proxy pagina configureren voor de HTML5-viewer

      Om de proxy pagina te configureren voor de HTML5-viewer dien je de volgende stappen te volgen:

      1. Ga naar de virtual directory’s van de GeoWeb WebViewer. Deze bevindt zich standaard als map op C:\inetpub\wwwroot op de GeoWeb-server. De virtual directory van de GeoWeb WebViewer heeft standaard de naam “HTML5Viewer” of “SilverlightViewer”.

      2. Open de virtual directory van de HTML5-viewer (dubbelklik op de map ‘HTML5Viewer’)
      3. Open het bestand ‘proxy.config’ in een teksteditor en voeg de URL van de service toe die niet toont in de GeoWeb WebViewer, bijvoorbeeld:

        <serverUrl url="https://geodata.nationaalgeoregister.nl/dronenoflyzones/"

                        matchAll="true"></serverUrl>


      4. Sla het bestand op.

      Als je de GeoWeb-site nu opent in de HTML5-viewer dan wordt de service nu wel zichtbaar op de kaart.

      Proxy pagina configureren voor de Silverlight-viewer

      Om de service ook zichtbaar te krijgen in de Silverlight-viewer, dien je nog de volgende stappen te volgen:

      1. Volg eerst stappen 1 t/m 4 (zie boven).
      2. Kopieer de bestanden ‘proxy.ashx’ en ‘proxy.config’ van de HTML5-viewer map naar de ‘wwwroot’ map.

        Kopiëren ‘proxy.ashx’ en ‘proxy.config’ van ‘HTML5Viewer’ map…:

        …naar ‘wwwroot’ map:

      3. Open vervolgens de GeoWeb Manager.
      4. Ga naar de MAP-pagina (klik op MAP in het zijpaneel) en klik op EDIT MAP SERVICE achter de betreffende service:

      5. Klik op de knop EDIT CONNECTIONS SETTINGS (op het DETAILS tabblad):

      6. Voeg de volgende URL toe aan het PROXY URL veld:

        http://[GeoWebServernaam.domein]/proxy.ashx

      7. Klik op TEST CONNECTION en kijk of de verbinding succesvol is:

      8. Klik op OK en op SAVE SITE.
      9. Open de GeoWeb-site in de Silverlight-viewer. De service is nu ook zichtbaar in de Silverlight-viewer.

      Gevorderde configuratie:
      Opmaak en filter op een externe service zetten in GeoWeb.

      Het beheren van GeoWeb is vrij eenvoudig uit te voeren. Er zijn echter veel verborgen of minder bekende mogelijkheden om in de GeoWeb Manager iets dieper in de configuratiemogelijkheden te duiken. We gaan in dit voorbeeld kennismaken met JSON-code om een externe mapservice te filteren en op te maken of om een voor gedefinieerde style aan te bieden aan de eindgebruiker, zodat de eindgebruiker een eigen keuze voor de opmaak kan maken. Soms wordt content aangeboden met een standaard opmaak. Maar het kan voorkomen dat die opmaak niet altijd aansluit. Ook ben je vaak alleen geïnteresseerd in een deel van de data die aangeboden wordt.

      In dit voorbeeld nemen we de mapservice van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) van 2016 uit het Esri Nederland content aanbod op ArcGIS Online. We zijn geïnteresseerd in 1 of 2 verschillende gemeentevlakken en niet in heel Nederland. We gaan uit van de gemeente ‘Goeree-Overflakkee’ en ‘Capelle aan den IJssel’.

      We kunnen in GeoWeb met JSON de aangeboden services aanpassen en filteren. Dit kan op verschillende manieren. Onderstaand voorbeeld is slechts bedoeld ter inspiratie en om een start te maken met het verkennen van deze mogelijkheden. Wellicht een mooie start om meer van dit soort code-voorbeelden of varianten hierop te delen op de GeoWeb LinkedIn groep.

      Voorbereiding

      Maak een nieuwe site aan, voeg de mapservice van het CBS toe en maak om het resultaat te bekijken een simpele viewer aan. (https://services.arcgisonline.nl/arcgis/rest/services/Demografie/CBS_WijkenBuurten_2016/MapServer)

      Het eindresultaat ziet er voorlopig zo uit:

      Tip

      In dit voorbeeld wordt gewerkt met ID’s van mapservices en layers. Die kun je terugvinden in de REST URL.

      Klik hiervoor in de GeoWeb Manager op het groene pijltje. In het bijvoorbeeld achter ‘Map’, > ‘Layer: Gemeenten’:

      De REST interface toont nu de ID’s waarbij de servicenaam en ID bovenaan staat en de Layers met ID daaronder. In dit voorbeeld nemen we de gemeenten layer met ID 2.

      Stap 1: een filter zetten op gemeenten

      Door gebruik te maken van mapservices met “Dynamic Layers” is het mogelijk om filters en opmaak te definiëren met behulp van JSON-code. Daarnaast bieden Dynamic Layers ook de mogelijkheid om de volgorde en symbologie van de kaartlagen dynamisch aan te passen in de viewer.

      Let op: om gebruik te kunnen maken van “Dynamic Layers” dient er bij het publiceren van de mapservice een vinkje aangezet te worden bij ‘Allow per request modification of layer order and symbology’. Zie ArcGIS Server Help voor meer informatie hierover.

      In dit voorbeeld gaat de beheerder een service filteren, zodat alleen bepaalde objecten zichtbaar worden en dat de standaard aangeboden opmaak overruled wordt met eigen opmaak. Dit doen we bij het onderdeel “Map” > “Layer: Gemeenten”. Ga naar de instellingen van de ‘Gemeenten’ laag.

      Filter op 1 gemeente:

      In dit voorbeeld splitsen we een stukje JSON-code in twee stukken. Het eerste stuk kunnen we gebruiken om een filter op attributen te zetten.

      Plak het stukje code tussen de accolades naar het onderdeel “Dynamic Definition” op het tabblad “Details”.

      De gebruikte JSON-code:

      Als we deze code eens grofweg verklaren zien we het volgende:

      Het eindresultaat ziet er nu als volgt uit:

      Filter op 2 gemeenten:

      Ditzelfde kunnen we ook op meerdere gemeenten toepassen. De JSON-code ziet er dan als volgt uit.

      De gebruikte JSON code:

      Het resultaat ziet er nu zo uit:

      Stap 2: opmaak definiëren

      Het tweede stuk van de JSON-code gaan we gebruiken om de opmaak van de objecten te definiëren. De JSON-code voor filter én opmaak (transparante fill en rode rand) ziet er dan als volgt uit:

      Waarbij:

      Dit is dan het resultaat:

      Nog meer tips:

      1. De opmaak, zoals in deze JSON-code, kan ook gebruikt worden in de GeoWeb Manager bij het onderdeel mapservice, op het tabje Styles. In dat geval geef je de eindgebruiker de mogelijkheid de opmaak te veranderen aan de hand van de door de beheerder beschikbaar gestelde verschillende stijlen. Bijvoorbeeld het laatste deel van deze JSON zou er ook zo uit kunnen zien en deze kan gekozen worden als style in de viewer:

      2. Gebruik bij de opbouw van een JSON-code een programma als Notepad++ of een JSON-validator, zoals JSONLint. Deze houden goed in de gaten of alle accolades kloppen.
      3. Om goed te begrijpen wat er allemaal ingevuld kan worden in een JSON-code kan het helpen om eens van accolade tot accolade te kijken wat er staat. In Notepad++ kun je bijvoorbeeld de regeleindes anders zetten of werken met een inspringing. Dat leest soms net wat prettiger, zoals het voorbeeld hieronder:

      4. Meer informatie over JSON-syntax en voorbeelden op ArcGIS Resources vindt u op
        http://resources.arcgis.com/en/help/arcgis-rest-api/#/Renderer_objects/02r30000019t000000/


        Versleutelen van connection strings and sensitieve data in GeoWeb configuratiebestanden

        Microsoft .NET heeft een mechanisme voor het versleutelen van bepaalde secties in configuratiebestanden. Dit is handig als de configuratiebestanden connection strings naar databases bevatten met gebruikersnamen en wachtwoorden. In GeoWeb worden connection strings van datalinks, zoektabellen en workflows namelijk opgeslagen als tekst in de site.xml (en/of in workflowbestanden). Om deze connection strings te versleutelen, dienen deze eerst te worden verplaatst van de site.xml naar de web.config bestanden van GeoWeb. Dit heeft meerdere voordelen:

        • Dezelfde connection string kan dan worden gebruikt voor alle GeoWeb sites.
        • Gebruikersnaam en wachtwoord worden dan ook niet getoond in de GeoWeb Manager.
        • Indien sites worden verplaatst naar een andere GeoWeb server, dan hoeven de connection strings niet opnieuw te worden geconfigureerd. Voorwaarde is dat deze connection string op beide servers geconfigureerd is in de web.config bestanden.
        • Ook workflows hebben toegang tot de connection strings die in de web.config bestanden zijn geconfigureerd.

        Volg de volgende stappen om een data connectie te configureren en op te slaan in een web.config bestand:

        1. Open de GeoWeb Manager.
        2. Open een GeoWeb site en ga naar het tablad ‘Data Connections’.
        3. Klik op ‘Add Data Connection’ om een data connectie toe te voegen en volg de stappen in de wizard.
        4. Nadat deze data connectie is toegevoegd, klik op ‘Edit the item’ achter de betreffende data connectie.
        5. Kopieer de inhoud van het veld ‘Connection String’ naar een tekstbestand in Notepad.
        6. Verwijder de inhoud van het veld ‘Connection String’ in de GeoWeb Manager.
        7. Voer een naam in in het veld ‘Connection String Name’ (bijv. “Connectie naar Oracle database”).
        8. Klik op ‘Apply Changes’ en ‘Save Site’.
        9. Open het web.config bestand van de REST endpoint (C:\Program Files (x86)\Latitude Geographics\Geocortex Essentials\\REST Elements\REST\web.config).
        10. Zoek naar ‘’ en voeg de connection string toe die je hebt gekopieerd naar het tekstbestand. Verander hierbij ook de naam van de connection string naar de naam die je hebt gekozen bij stap 7.
          De connection string zou er dan ongeveer als volgt uit moeten zien:
        11. Voeg dezelfde connection string ook toe aan het web.config van de GeoWeb Manager (C:\Program Files (x86)\Latitude Geographics\Geocortex Essentials\GeoWeb51\REST Elements\Manager).

        Hiermee is het nu mogelijk om de connection strings te gebruiken voor alle GeoWeb sites en workflows. Daarnaast is het ook mogelijk om de "connectionStrings" in de web.config bestanden te versleutelen zodat deze niet meer zichtbaar zijn in deze bestanden.

        1. Open hiervoor de command prompt via het Windows Startmenu (typ “cmd” en open de applicatie via rechtermuisklik > Run as administrator).
        2. Ga naar de folder "C:\Windows\Microsoft.NET\Framework64\v4.0.30319>" (de .NET versie zou kunnen afwijken).
        3. Run de volgende commands:
        4. Bij een wijziging van de connection string (bijv. wachtwoordwijziging) kunnen deze secties weer ontsleuteld worden met behulp van de volgende commands:

        Hoe voeg ik een schaalbalk toe aan mijn GeoWeb print template?

        De mogelijkheden voor het toevoegen van een schaalbalk aan een GeoWeb print template zijn op dit moment nog vrij beperkt. Het is weliswaar mogelijk om een Scale Bar Control toe te voegen aan je template in de Report Designer, maar deze wordt standaard getoond als een zwart vlak, wat qua opmaak niet heel fraai is. Met behulp van een workaround is het wel mogelijk om een schaalbalk te maken die uit zwart/witte vlakken bestaat, vergelijkbaar met de ‘Alternating Scale Bar’ in ArcMap.

        Hiervoor dien je de volgende drie stappen te volgen:

        1. Configureer de Scale Bar Control in de Report Designer
        2. Configureer de Scale Bar Distance Control in de Report Designer
        3. Configureer de meeteenheid voor de schaalbalk in de GeoWeb Manager

        1. Configureren van de Scale Bar Control:

        1. Open de print template (*.rpx) in de Report Designer.
        2. Klap het Geocortex Essentials paneel uit en sleep de Scale Bar Control naar het Designer venster.

                 

        3. Klap het Controls paneel uit en sleep een Shape Control naar het Designer venster zodat de linkerrand van de Shape Control aansluit aan de rechterrand van de Scale Bar Control.

        4. Selecteer de Shape Control en stel de grootte van dit element in op 1; 0.15 inches bij Size aan de rechterkant van het scherm.

        5. Voeg nog een Shape Control toe aan het Designer venster en laat de linkerrand van deze Shape Control aansluiten aan de rechterrand van de vorige Shape Control.
        6. Selecteer de nieuwe Shape Control, stel de grootte van dit element in op 0.5; 0.15 inches in bij Size aan de rechterkant van het scherm en verander de BackColor naar zwart.
        7. Sleep een derde Shape Control naar het Designer venster en laat de linkerrand van deze Shape Control aansluiten aan de rechterrand van de vorige Shape Control.
        8. Verander de grootte van deze Shape Control weer naar 0.5; 0.15 inches.
        9. De schaalbalk zal er dan zo uit moeten komen te zien:

        10. Sla de template op.

        2. Configureren van de Scale Bar Distance Control:

        1. Sleep de Scale Bar Distance Control naar het Designer venster en plaats deze boven de Scale Bar Control. Lijn deze uit met de linkerkant van de Scale Bar Control.

        2. Verander de tekst van dit element naar ‘Afstand‘.

        3. Pas indien gewenst nog het weergaveformaat (OutputFormat) aan. Dit is de notatie van het getal voor de afstand (bijv. een getal zonder decimalen).

             

        4. Sleep een Label Control naar het Designer venster en plaats hem boven de eerste Shape Control. Lijn deze uit met de linkerkant van de Shape Control.

        5. Selecteer de Label Control en verander de tekst naar ‘0’.

        6. Sleep een tweede Scale Bar Distance Control naar het Designer venster en plaats hem boven de tweede zwarte Shape Control. Lijn deze uit met de linkerkant van deze Shape Control. Verander de tekst weer naar ‘Afstand‘ en pas indien nodig nog het weergaveformaat (OutputFormat) aan.

        7. In dit geval willen we dat de Label Control een afstand weergeeft die half zo groot is als de afstand in de eerste Scale Bar Distance Control. Om dit te bereiken hebben we een Calculated Field nodig. Klap hiervoor de Field component uit in de Report Explorer aan de rechterkant van het venster. Klik met je rechtermuisknop op Calculated en klik vervolgens op Add.

        8. Selecteer het nieuwe veld, verander de naam (Name) naar ‘HalfDistanceCalc’ en de formule (Formula) naar ‘_ScaleBarDistance/2’.

        9. Selecteer de tweede Scale Bar Distance Control en verander de DataField naar ‘HalfDistanceCalc’ en de Text naar ‘Afstand/2’.

        10. Sleep een derde Scale Bar Distance Control naar het Designer venster en lijn deze uit met de rechterkant van de laatste witte Shape Control. Verander de tekst weer naar ‘Afstand‘ en pas indien gewenst nog het weergaveformaat (OutputFormat) aan.

        11. Sleep een Scale Bar Units Control naar het Designer venster en plaats deze rechts naast de zonet toegevoegde Scale Bar Distance Control. Verander de tekst naar ‘SchaalEenheid’.

        12. Sla de template op.

        3. Configureer de meeteenheid voor de schaalbalk in de GeoWeb Manager:

        1. Open je GeoWeb site in de GeoWeb Manager.
        2. Ga naar de printtemplate (klik op Print Templates in het zijpaneel).

        3. Klik op Edit achter de betreffende template.

        4. Kies de gewenste meeteenheid in het uitklapmenu achter ‘Scalebar Units’.

        5. Klik op Apply Details en Save Site.

        Hoe kan ik een xml-bestand van de BGT inlezen in ArcGIS for Desktop?

        Voor het inlezen van een BGT xml zijn er twee mogelijkheden:

        1. Met behulp van de Data Interoperability extensie is het mogelijk een ETL-tool te maken die de xml kan uitlezen. Hier is echter wel gedegen kennis nodig van het datamodel van de BGT.
        2. Naast de Data Interoperability extentie kan ook onze applicatie GeoBGT de xml bestanden verwerken. Deze applicatie is bedoeld voor databronhouders die verplicht zijn hun objecten in de BGT te leveren. Meer informatie over deze applicatie is hier te vinden: http://www.esri.nl/producten/oplossingen/geobgt

        Naast de bovenstaande opties voor het zelf inlezen van de xml, kan er ook gebruik worden gemaakt van de File Geodatabase die wij vanuit Esri Nederland gratis aanbieden. In deze database is alle data opgenomen die tot op de datum van publicatie van de database in de BGT te vinden was. De File Geodatabase kan je vinden op ArcGIS Online. Voor het benaderen van de data dient wel een organisatieaccount aanwezig te zijn voor ArcGIS Online. Eenmaal ingelogd kan er gezocht worden op de groep ‘Datasets – Esri Nederland’. Vraag een lidmaatschap aan voor deze groep. Als het lidmaatschap is goedgekeurd kunnen alle items in de groep zichtbaar worden door het vinkje ArcGIS Desktop items weergeven aan te vinken. Vervolgens kan hier de download van de BGT gevonden worden.


        Hoe gebruik ik domeinen in een GeoWeb rapportage?

        Er worden wel domeinen getoond in GeoWeb 5.0, maar niet in de rapporten. Hoe kan ik dit oplossen?

        Om dit werkend te krijgen moet aan de volgende zaken voldaan worden:

        1. Voor de mapservice waarin de laag met het rapport is opgenomen, dient de Geocortex Services Enhancement Proxy te zijn ingericht.
        2. In het rapport dienen er extra handelingen uitgevoerd te worden voor de velden met domeinen, namelijk .Name()

        Stappenplan:

        Voor de laag ‘Constatering Uitvoering’ is er een rapport nodig. Deze laag bevat attribuutvelden met daarin domeinen. Om deze te tonen in het rapport dien je de volgende stappen te volgen:

        Stap 1: activeer de Geocortex Services Enhancement Proxy:

        1. Open hiervoor de betreffende site in de GeoWeb Manager (zie hoofdstuk 4.3).
        2. Klik op het Map tabblad in het zijpaneel
        3. Klik op Edit Map Service achter de mapservice.
        4. Ga naar het Details tabblad en klik op Edit Connection Settings.
        5. Selecteer de Geocortex Services Enhancement Proxy en vink Forward Requests using Application Pool Identity en Resolve Coded Domains aan.

        Stap 2: pas de namen van de attribuutvelden aan naar .Name():

        1. Maak het rapport in de Geocortex Report Designer.
        2. 2. Voeg daar de velden toe die een domein bevatten. Om het domein te tonen in het rapport moet in het DataField het volgende opgenomen worden: .Name() (bijv. PRIO.Name() -> zie onder).
        3. Sla het rapport op en test het rapport. De domeinen worden nu getoond in het rapport.

        Tip: in plaats van een Label control kun je ook gebruik maken van een RichTextBox control. Gebruik dan een uitroepteken voor .Name():


        Waarom krijg ik de foutmelding: GeoBasis has stopped working?

        Oorzaak

        Wanneer bij het opstarten van het onderdeel RSGB Registraties in de' GeoBasis Manager' de foutmelding 'GeoBasis has stopped working' verschijnt, dan is de 'scheduler.xml' corrupt geraakt. De GeoBasis Manager kan de xml dan niet meer uitlezen en zal onderstaande foutmelding genereren.

        Antwoord

        Door de scheduler.xml te vervangen door een scheduler.xml uit een backup creëer je een nieuwe uitgangspositie. De foutmelding is dan verdwenen, maar de scheduler.xml moet dan nog opnieuw worden ingericht. Je kunt ook de scheduler.xml van je eigen setup gebruiken.

        Om de scheduler.xml opnieuw werkend te krijgen zullen de paden (waar de aan te roepen modellen staan) opnieuw moeten worden ingegeven. Vervolgens dienen de tijden (dat de modellen uitgevoerd dienen te worden)opnieuw ingevoerd te worden. Let er hierbij op dat niet elk model dagelijks draait (D=Dagelijks, W=Wekelijks, M=Maandelijks) Wanneer modellen niet dienen te worden uitgevoerd, dan dienen de jaartallen in de verre toekomst te liggen. Bijvoorbeeld het jaar 2030).

        In het onderstaande screenshot staat de juiste indeling van een scheduler.xml. (C:\geobasis\scheduler.xml)


        Na het installeren van GeoWkpb zijn de tools van GeoWkpb uitgegrijsd. Hierdoor kan de software niet gebruikt worden.

        Oorzaak:

        De oorzaak voor dit probleem ligt in het volgende: De bronnamen (en paden) van de in de mxd gebruikte kaartlagen komen niet overeen met de bronnamen (en paden) welke staan benoemd in het bestand “GeoWkpbArcMapExtension.dll.config”.

        Antwoord

        Na het opstarten van de mxd van de GeoWkpb-extensie krijg je de beschikking over 3 GeoWkpb werkbalken (GeoWkpb, GeoWkpb Beheer en Diagnostics). Deze behoren normaal uit te voeren te zijn en behoren er als volgt uit te zien.

        Het kan echter voorkomen dat de knoppen op deze werkbalken uitgegrijsd zijn. Zoals te zien is in het volgende voorbeeld.

        De oorzaak van dit probleem ligt in het volgende: De bronnamen (en paden) van de in de mxd gebruikte kaartlagen komen niet overeen met de bronnamen (en paden) welke staan benoemd in het bestand “GeoWkpbArcMapExtension.dll.config”. Dit bestand is bij een standaardinstallatie terug te vinden in de map: C:\Program Files\Esri Nederland\GeoWkpb (32 bits) en C:\Program Files (x86)\Esri Nederland\GeoWkpb (64 bits). Voor de inhoud van de map, zie onderstaande afbeelding.

         

        In onderstaande afbeelding is te zien dat in de GeoWkpbArcMapExtensions.dll.config de namen van de feature classes (bronnamen en paden), welke worden gebruikt in de GeoWkpb-mxd, dienen te worden ingevoerd. Deze namen zijn terug te vinden door deze te bekijken in de “source” van de kaartlaag. (Rechtermuisknop op de kaartlaag, properties, source tabblad).

        In onderstaand voorbeeld zijn in het groen de juiste namen te herkennen. In het rood staat een verkeerde bronnaam. In het verloop van dit artikel wordt duidelijk dat de naam van deze featureclass niet klopt.

        NB! 1 foute bronnaam veroorzaakt al het uitgrijzen van de knoppen.

        In het nu volgende voorbeeld wordt getoond wat er precies fout gaat. Vaak hebben organisaties de GeoWkpb-onderdelen op een server staan, waardoor vaak meerdere bronnamen niet kloppen.

        De knoppenbalken zijn in het voorbeeld uitgegrijsd. In het notepad-bestand is te zien dat er een andere bronnaam in het notepad-bestand wordt genoemd dan waar in de “source” naar verwezen wordt. Hierdoor treedt het probleem van de uitgegrijsde knoppen op.

        In het nu volgende voorbeeld is de bron aangepast in het notepad-bestand. Hierdoor komen de bronnamen weer overeen en zullen de knoppen beschikbaar komen.

        Als alle bronnamen (juiste verwijzingen naar de gebruikte featureclassen) goed zijn ingesteld, dan dienen de knoppenbalken beschikbaar te komen.


        GeoBasis 1.6 heeft problemen met de teruggave de ArcGIS en/of Data Interop Extensie licentie.

        Oorzaak

        De GeoBasisManager voert een herstartmechanisme uit op de actualisatieservice, welke plaatsvindt na afloop van het uitgevoerde GeoBasisproces. Deze herstart zorgt ervoor dat de actualisatieservice van GeoBasis de licenties weer vrijgeeft. Deze herstart wordt niet uitgevoerd wanneer de taken in de actualisatieservice van GeoBasis worden uitgevoerd onder een niet-admin account.

        Antwoord

        De actualisatieservice zal automatisch worden herstart wanneer de service wordt uitgevoerd onder een account met administratorrechten. Wanneer er een account wordt gebruikt welke geen rechten heeft om een service te mogen herstarten, dan treedt dit probleem op. Vaak is dit met een administrator-account te verhelpen.

        In de onderstaande screenshots wordt in een stappenplan uitgelegd hoe deze accountwijziging doorgevoerd kan worden.

        Stap 1: Start de Taskmanager
        Stap 2: Ga naar het tabblad Services
        Stap 3: Klik op de knop Services om het Servicesscherm te openen.


         
        Stap 4: Open de Properties van de Actualisatieservice.

         

        Stap 5: Ga naar het tabblad ‘Log On’.


         
        Stap 6: Vul de login en het password van het ‘admin’-account in.
        Stap 7: Laat GeoBasisManager nog een keer de taken uitvoeren.


        Hoe pas ik de locatie van de xml-bestanden met contactgegevens, keuzelijsten etc. aan?

        Het is mogelijk om de locatie van de xml-bestanden met de contactgegevens, keuzelijsten etc. aan te passen. Op deze manier kunnen meerdere mensen van dezelfde bestanden gebruikmaken.

        Het gaat om de xml-bestanden die standaard in de volgende locatie staat:

        • ArcGIS 10.x: C:\Program Files\ArcGIS\Desktop10.x\Bin\Instellingen\

        Om deze bestanden op een andere locatie te kunnen zetten, moet de file 'ISO_Metadata.xml' aangepast worden. Deze file staat standaard hier:

        • ArcGIS 10.x: C:\Program Files\ArcGIS\Desktop10.x\Bin\

        Dit bestand ziet er als volgt uit:

        <?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
        <ISO_Metadata>
        <Locatie>
        <Contacten></Contacten>
        <Defaults></Defaults>
        <Informatiemodellen></Informatiemodellen>
        <Instellingen></Instellingen>
        <Keuzelijsten></Keuzelijsten>
        <KeuzelijstenISO></KeuzelijstenISO>
        </Locatie>
        </ISO_Metadata>

        Hier moet de nieuwe locatie in gezet worden, inclusief de bestandsnaam. Hieronder staat een voorbeeld van de locatie van 'ISO_Contacten.xml':

        <Contacten>\\computer_naam\directory_naam\Instellingen\ISO_Contacten.xml</Contacten>

        Let erop dat de nieuwe directory bestaat, en dat de gebruikers hier schrijfrechten op hebben.


        IMRO-plannen worden niet goed verwerkt in GeoBasis

        Wanneer op een viewer (Geoweb, ArcGIS Online) wordt geconstateerd dat er enkele bestemmingsplannen op de kaart ontbreken, die wel op de kaart op http://www.ruimtelijkeplannen.nl/index staan vermeld, dan is waarschijnlijk onderstaande het geval.

        Achtergrond:

        Esri Nederland heeft GEOBASIS IMRO ontwikkeld om de bestemmingsplannen automatisch binnen te halen vanaf de Landelijke Voorziening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de voorwaarden die binnen het document ‘Het Stappenplan Bronhouders RO-Online’ beschreven staan.

        De inhoud van dit document is te vinden via de volgende link: http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/docs/bronhouders/Stappenplan_bronhouders_RO-Online.pdf

        Werking van de software GEOBASIS IMRO:

        Bij het uitvoeren van GEOBASIS IMRO zal de software checken of er bij de Landelijke Voorziening nieuwe bestemmingsplannen aanwezig zijn. Dit wordt gecheckt op basis van het gebruik van een (voor de software nog onbekend) planID. Deze bestemmingsplannen zullen worden verwerkt. Hierbij zal de software ook checken welke bestemmingsplannen verwijderd / offline gehaald zijn. Wanneer een bestemmingsplan niet meer aanwezig is dan zal de software dit registeren met een waarde PLAN VERWIJDERD. De kaart die in een viewer geraadpleegd kan worden bevat een filter. Dit filter bevat een instelling die aangeeft dat verwijderde plannen niet getoond zullen worden.

        Oorzaak:

        De beheerder van de bestemmingsplannen heeft waarschijnlijk het oorspronkelijke bestemmingsplan offline gehaald. De beheerder heeft dit bestemmingsplan bewerkt en heeft vervolgens dit bestemmingsplan met hetzelfde planID weer aangeboden.

        Echter, in het document ‘Het Stappenplan Bronhouders RO-Online’ staat beschreven dat, wanneer een bestemmingsplan een wijziging ondergaat, het gewijzigde plan een nieuw ID toegekend dient te krijgen. Dit is af te leiden uit het citaat uit ‘Het Stappenplan Bronhouders RO-Online’:
        “Verander bij wijziging van een bestand het planID. Verwijder geen (plan)delen uit het manifest.”

        Wanneer de beheerder van de bestemmingsplannen het betreffende bestemmingsplan offline heeft gehaald, dan zal de software het bestemmingsplan markeren als PLAN VERWIJDERD. Wanneer de beheerder het bestemmingsplan vervolgens weer online zet, dan zal de status PLAN VERWIJDERD behouden blijven. Het bestemmingsplan zal niet meer zichtbaar weergegeven worden. Wanneer de beheerder het bestemmingsplan heeft voorzien van een nieuw planID, dan zal het bestemmingsplan getoond worden.

        GEOBASIS IMRO bevat geen mechanisme dat checkt of bestemmingsplannen opnieuw aanwezig zijn. De voorwaarden in ‘Het Stappenplan Bronhouders RO-Online’ geven aan dat dit bij een juiste opvolging van de voorwaarden niet nodig zal zijn.

        Oplossing:

        Aanpassen van het ‘gewijzigde’ bestemmingsplan door de beheerder. Wanneer dit bestemmingsplan wordt voorzien van een nieuw planID, dan zal het bestemmingsplan voldoen aan de voorwaarden die beschreven staan in ‘Het Stappenplan Bronhouders RO-Online’. GEOBASIS IMRO zal hierna het gewijzigde bestemmingsplan automatisch binnenhalen en de software zal dit bestemmingsplan markeren als het actuele plan. Tevens wordt de beheerder gewezen op het feit dat het bestemmingsplan niet juist werd aangeboden.

        Workaround:

        Omdat de brondata volledige online aanwezig is, kan er altijd een nieuwe Nul-stand worden ingelezen.

        Hiervoor kan, wanneer er definitief sprake is van het ‘tijdelijk offline’ halen van een bestemmingsplan, contact worden opgenomen met Esri Nederland Support.


        Wat zijn de verschillen tussen Collector for ArcGIS, Survey123 en GeoForm?

        Het ArcGIS platform kent verschillende apps voor het inwinnen van informatie, elk met hun eigen specifieke kenmerken. Hieronder worden drie apps verder uitgelegd en de verschillen duidelijk gemaakt, zodat je makkelijker de juiste keuze kunt maken voor een bepaalde app.

        Met de Collector for ArcGIS kun je punten, lijnen en vlakken in het veld verzamelen en updaten. Voor meer informatie zie Collector for ArcGIS.

        Survey123 is een formulier-gebaseerde oplossing voor het inwinnen van gegevens. Zie ook Aan de slag met Survey123.

        GeoForm is een configureerbare web mapping template voor het toevoegen van punten en invoeren van attributen van een feature service, niet via het aanpassen van gegevens van een pop-up, maar via een formulier op een web pagina. Voor meer informatie zie The GeoForm Graduates.


        Collector for ArcGIS


        Survey 123


        Geoform

        Alle drie verzamelen ze dus gegevens, maar er zijn wel wezenlijke verschillen tussen de applicaties. De belangrijkste staan in onderstaande tabel:

        * Werkt alleen offline als je het browser venster niet sluit tot je weer online bent.

        Manier van verzamelen

        Survey123 en GeoForm zijn gebaseerd op formulieren. Je kunt ook geografische informatie verzamelen, maar dat is gewoon een extra vraag op het formulier. Bovendien worden er puntlocaties ingewonnen, het is niet mogelijk om lijnen of vlakken aan te maken.

        Collector for ArcGIS is gebaseerd op een kaart: natuurlijk kun je ook hier attribuut informatie toevoegen, maar de hele app is gericht op het verzamelen van geografische informatie. Het is mogelijk om zowel punten, lijnen als vlakken in te winnen.

        Editen van bestaande data

        Met Survey123 en Collector for ArcGIS kun je nieuwe gegevens toevoegen en bestaande data aanpassen.

        Geoform is alleen geschikt om nieuwe gegevens te verzamelen.

        Offline werken

        Survey123 en Collector for ArcGIS zijn uitermate geschikt om ook offline te werken en alle veranderingen te synchroniseren als je weer online komt.

        Bij GeoForm worden de gegevens lokaal opgeslagen als de internet verbinding wegvalt. Zodra er weer een internet connectie is, worden de gegevens alsnog gesynchroniseerd. In dat geval moet het browser venster wel open blijven staan! Worden de gegevens verzameld in een situatie waar regelmatig slechte internetverbindingen voorkomen, dan is het beter om voor Survey123 of Collector voor ArcGIS te kiezen.

        Slimme formulieren

        GeoForm en Collector for ArcGIS zijn vooral gemaakt om eenvoudige attribuut informatie te verzamelen.

        Heb je echter vragen waar ook bijvoorbeeld afhankelijkheden, berekeningen of validaties in zitten, dan is Survey123 de beste manier om data te verzamelen. Survey123 maakt namelijk gebruik van XForms, waarmee zeer uitgebreide en slimme vragenlijsten gemaakt kunnen worden.

        Toegang en User Types

        Voor het aanmaken van web maps, editable feature layers en surveys is de Creator of GIS Professional User Type nodig.

        Om gegevens te verzamelen met de Collector App is minimaal de Field Worker User Type nodig.

        Om gegevens te verzamelen via de Survey123 Field App is ook minimaal de Field Worker User Type nodig. Vul je de survey in via de browser, dan is de Editor User Type voldoende.

        Bij GeoForms en Survey123 is het echter ook mogelijk om gebruik te maken van anonieme toegang via de browser. Dit maakt deze apps zeer geschikt voor bijvoorbeeld crowd-sourcing of publieke vragenlijsten.


        Ingestuurde surveys muteren in de inbox

        Wanneer het bewerken van ingestuurde surveys een vereiste is in het werkproces kan gebruik gemaakt worden van de inbox functie. Het gaat dan niet alleen om surveys die onder je eigen naam zijn ingestuurd, maar ook om surveys ingestuurd door andere gebruikers of van een ander device! De Survey123-inbox werkt op een soortgelijke wijze als een e-mail inbox. De inbox wordt gevuld met ingestuurde surveys die bekeken of geupdate kunnen worden.

        Gecombineerd met de optie om een inbox filter in te stellen en het ruimtelijk kunnen filteren van de surveys is de inbox tool een zeer krachtig hulpmiddel. Om de surveys herkenbaar weer te geven is ook het gebruik van de instance name aan te raden. Bekijk de werkwijze hieronder.

        Inschakelen inbox functie in Survey123

        Het inschakelen van de inbox in Survey123 Connect is een eenvoudige handeling. Het configureren van het filter en instance name vergt wat meer moeite. In het onderstaande voorbeeld wordt de werkwijze uitgelegd aan de hand van een voorbeeld.

        In de survey is een veld ‘status’ opgenomen waar een gebruiker onder andere kan kiezen om de status van de survey op ‘Formulier klaar voor controle’ te zetten zoals in de afbeelding hieronder.

        In het werkproces is het noodzakelijk dat alle surveys die door een bepaalde medewerker zijn ingestuurd en de status ‘Formulier klaar voor controle’ hebben worden gecontroleerd. We gaan de inbox op basis van die informatie configureren.

        1. Open de survey waarop de inbox moet worden ingesteld in Survey123 Connect. Klik op de Settings tab, daaronder op inbox en selecteer onder inbox mode de optie ‘Enabled – The inbox folder will be available for this survey’ om de inbox in te schakelen.
        2. Om ervoor te zorgen dat de juiste surveys in de inbox terug te vinden zijn kan een inbox filter ingesteld worden. Onder de optie om de inbox in te schakelen is zojuist een nieuw invoerveld verschenen waar een expressie kan ingevoerd kan worden. Voor het voorbeeld is dat de expressie in de afbeelding hieronder.

          Uitleg expressie: De expressie bevat 2 voorwaarden. Het veld ‘status’ moet gelijk zijn aan ‘controle’ en het veld ‘naam’ moet de naam ‘Tim Koetse’ bevatten.
        3. Om de surveys in de inbox ook ruimtelijk te kunnen filteren kan het spatial filter ingeschakeld worden. Deze optie is te vinden onder het inbox filter. Zet het spatial filter menu op ‘Enabled – Spatial filter applied when Map view is visible’.

          Ingestuurde surveys komen nu in de inbox terecht wanneer ze voldoen aan de voorwaarden in het filter. Daarnaast kunnen de surveys gefilterd worden op hun locatie in de Survey123-app. Om de surveys in de inbox herkenbaar weer te geven stellen we als laatste de instance name in:
        4. Open het Excel formulier van de survey en activeer de settings tab.
        5. Voer in de kolom instance name in hoe de surveys in de inbox weergegeven moeten worden. In de afbeelding hieronder is een expressie te zien die ervoor zorgt dat je de naam van de instuurder en de instuurdatum ziet.

        De voorbeeld expressie is opgebouwd uit de volgende elementen:

        Concat(‘tekst’,${veldnaam}): Voegt verschillende tekst strings samen tot een tekst. Tekst staat tussen aanhalingstekens en de stukken tekst worden gescheiden door een komma. Velden uit de survey kunnen worden opgenomen in de concatenate functie.

        Format-date(&{datumveld}, ‘%Y-%m-%d’): De format date functie regelt hoe de datum getoond wordt uit het datumveld uit de survey. In dit geval dus in de volgorde Jaar-Maand-Dag.


        Verschillende apps laten samenwerken met behulp van een Custom url Scheme

        Binnen het Esri platform zijn er verschillende apps beschikbaar die allemaal hun eigen specifieke toepassing hebben. Soms is het echter fijn als je voor bepaalde werkzaamheden meerdere apps kunt combineren. Dit kan met behulp van een ‘custom url scheme’. In dit artikel worden handvatten gegeven hoe je, in dit geval, survey123 kan openen vanuit een andere app.

        Apps die geopend kunnen worden met een custome url scheme zijn de Collector for ArcGIS app, Survey123 & Navigator for ArcGIS. De url kan echter ook gebruikt worden binnen andere apps om bovenstaande apps te openen. Een voorbeeld hiervan is je eigen web mapping application. Met behulp van een Custome url Scheme kun je bepaalde apps automatisch laten openen en bestaat er de mogelijkheid om alvast parameters van een object mee te geven.

        In onderstaand technisch artikel wordt de toepassing van een Custom url scheme besproken. Eerste wordt kort uitgelegd hoe een customer url scheme eruit ziet en vervolgens hoe je deze kan integreren in een app.

        Hoe ziet een Custom url Scheme eruit?

        Het eerste component van een url definieert altijd de app die geopend dient te worden. In dit voorbeeld gaat het om de app Survey123. Je gebruikt hier: arcgis-survey123://. Deze url zal de app openen op de standaard login pagina. Wil je een specifieke survey openen dan kan je parameters aan de url toevoegen. Wanneer je ‘itemID’ toevoegt aan de url zal hij een specifieke survey openen:

        arcgis-survey123://?itemID=89bc8c7844e548e09baa3aad4695e78b.

        Het ItemID is het ID van de survey. Aan het begin van de parameters komt altijd een vraagteken (?) te staan. De parameters zelf worden gescheiden met behulp van een ampersand (&).

        Naast dat je een specifieke survey kan openen, kan je ook attribuut informatie automatisch in laten vullen. Hieronder worden een tweetal voorbeelden gegeven:

        1. Automatisch een veld invullen:
          Het is mogelijk om in een veld direct een aantal parameters mee te geven. Dit kan met de volgende string:

          arcgis-survey123://?itemID=36ff9e8c13e042a58cfce4ad87f55d19&field:naam=windmolen

          Hier fungeert ‘naam’ als het veld dat ingevuld dient te worden in de survey en ‘windmolen’ is de informatie die in dat veld wordt opgenomen. Je kunt meerdere velden laten invullen gescheiden door het ‘&’ teken.
        2. Een geopoint toevoegen in de survey:
          Het is ook mogelijk om coördinaten mee te geven aan de url zodat er een locatie wordt meegegeven bij een geopoint vraag. Je kan dit doen door ‘&center=’ 
          te typen, gevolgd door de coördinaten in longitude en latitude (decimalen graden, gescheiden door een komma). De url kan er dan als volgt uit komen te zien:

          Arcgis-survey123://?itemID=36ff9e8c13e042a58cfce4ad87f55d19&field:naam=windmolen&center=37.8199,-122.4783

        Url integreren in pop-up

        Je kan een url in een pop-up plaatsen zodat je de url specifiek voor een bepaald object kunt laten gelden. De url kan er dan als volgt uitzien:

        survey123://?itemID=36ff9e8c13e042a58cfce4ad87f55d19&field:naam={name}

        N.B. De waarschuwing mag genegeerd worden.

        In dit voorbeeld wordt dus de naam van een bepaald object doorgegeven in de survey en niet een vaststaande naam zoals eerder bij punt 1 als voorbeeld werd gegeven. Je gebruikt dus de veldinformatie voor het invullen van de survey.

        Aanvullende informatie

        Dit artikel heeft een aantal mogelijkheden laten zien hoe je apps met elkaar kan koppelen. Meer informatie over Custome url Scheme’s kan je terugvinden in de help: https://doc.arcgis.com/en/survey123/reference/integratewithotherapps.htm of in dit blog-artikel: https://community.esri.com/groups/survey123/blog/2016/07/30/understanding-survey123s-custom-url-scheme?commentID=48996


        Hoe voeg ik een eigen basemap toe in Survey123?

        Met Survey123 is het mogelijk om naast de standaard meegeleverde basemaps, ook een eigen basemap toe te voegen. Dit kan zowel offline als online. In beide gevallen is het nodig een Tile package, (een .tpk bestand) te maken van een eigen kaart. Wanneer deze online gebruikt moet worden, kan deze in het portaal geüpload worden. Naast onderstaande methode is het ook mogelijk om een map package gelijk op een device te zetten in de map folder van Survey123. Deze is dan voor alle Survey's op het device beschikbaar.

        LET OP! De kaarten moeten altijd een WGS84 projectie hebben om te werken met Survey123.

        Een eigen basemap toevoegen aan een survey voor online gebruik kan gedaan worden door de onderstaande stappen te volgen:

        1. Zoek een bestaande tile package op of maak een eigen tile package aan en publiceer deze naar uw portaal.
        2. Ga na het publiceren naar de item details pagina van de tile package en kopieer onderaan de pagina de URL.
        3. Open Survey123 Connect en maak/open een survey waarin de basemap gebruikt moet worden.
        4. Open de survey folder door in survey123 Connect op het folder-icoon te klikken of in de Windows verkenner de survey folder te openen op een vergelijkbare locatie als deze: C:\Users\<username>\ArcGIS\My Survey Designs\<survey naam>.
        5. Open in Notepad++ of een andere teksteditor het bestand met de .info extensie, dus <survey naam>.info.

          Het is mogelijk dat het *.info bestand nog niet aanwezig is in de survey folder. In dat geval kan dit aangemaakt worden door de een tekstbestand te maken en op te slaan als <survey naam>.info.

        6. De basemap kan nu worden toegevoegd in het *.info bestand. Zorg ervoor dat Survey123 Connect gesloten is voordat dit gebeurd om te voorkomen dat edits niet worden opgeslagen.
        7. Voeg in het *.info bestand onder de map regel de volgende code toe:
        8. Het resultaat zal er dan in het *.info bestand ongeveer uitzien zoals hieronder:
        9. Wijzig in de zojuist toegevoegde code de volgende regels:
          1. name: voer de name van de basemap in.
          2. url: Vervang de url voor die van je eigen tile package.
          3. append (optioneel): wanneer deze optie op true staat zal de gebruiker de standaard online basemaps zien met de eigen basemap daaraan toegevoegd.
          4. includeLibrary (optioneel): wanneer deze optie op true staat worden alle tile packages opgeslagen op het device weergegeven in de basemaps lijst.
          5. storeInMapLibrary (optioneel): Deze waarde is alleen relevant wanneer includeLibrary op true staat. Wanneer storeInMapLibrary op true wordt gezet wordt een basemap met een tile package als bron weergegeven in de basemap lijst.
        10. Uiteindelijk zal het *.info bestand er ongeveer als volgt uitzien, de code onder de zelf toegevoegde basemaps kan anders zijn voor elke survey:
        11. Sla de wijzigingen op en sluit Notepad++ af.
        12. Start Survey123 Connect op, open de survey en publiceer deze.
        13. Open de Survey123 app op een device en download de survey. Open de survey en controleer in de geopoint of de basemap zichtbaar is. In dit geval een oude kaart van Rotterdam:

        Aanpassen van veldlengte in Survey123

        In ArcGIS hebben tekstvelden een standaard lengte van 255 tekens. Het kan echter voorkomen dat deze langer moet zijn als gebruikers bijvoorbeeld een opmerking kunnen invullen in een Survey. Uiteraard kan bij het ontwerpen van de survey hier al rekening mee gehouden worden en dit voor publicatie van Survey ingesteld zijn.

        Aanpassen van de veldlengte voor publicatie

        De veldlengte aanpassen in een survey kan eenvoudig in het Excel-bestand van de betreffende survey, voordat deze gepubliceerd wordt. Door in kolom V, ‘bind::esri:fieldLength’, een waarde in te vullen, wordt ervoor gezorgd dat de veldlengte het aantal tekens krijgt dat is ingevoerd. Is bijvoorbeeld 500 ingesteld, kan een gebruiker van de survey in het betreffende veld 500 tekens invoeren.

        Aanpassen van de veldlengte na publicatie

        Veldlengte aanpassen zonder behoud van ingevoerde gegevens
        Het kan echter ook voorkomen dat na publicatie van de Survey blijkt dat het aantal tekens dat ingevoerd kan worden niet toereikend is. Indien er nog geen gegevens zijn ingevoerd in de survey of als de gegevens niet bewaard hoeven te blijven, kan bovenstaande werkwijze gevolgd worden. De survey kan dat opnieuw worden gepubliceerd naar aanpassing van het veld in kolom V, maar hierbij worden al bestaande gegevens verwijderd.

        Veldlengte aanpassen met behoud van ingevoerde gegevens
        Mocht na publicatie blijken dat de veldlengte niet juist is en er zijn gegevens ingevoerd die behouden moeten blijven, zijn er twee opties: het gebruiken van een constraint of aanpassen via ArcGIS Pro.

        Constraint
        Een eenvoudige oplossing om aan te geven dat er maximaal 255 tekens ingevoerd kunnen worden, is gebruik maken van een constraint. In het Excel-bestand wordt een voorwaarde ingevoerd waaraan het antwoord moet voldoen en kan aangegeven worden welke melding getoond moet worden als niet aan voorwaarde wordt voldaan. Om dit in te stellen kun je onderstaande stappen doorlopen:

        • Open het Excel-formulier van de Survey.
        • In kolom E, ‘constraint’, vul je de constraint in. Bijvoorbeeld: string-length(.)<250. Dit zorgt ervoor dat er niet meer dan 250 tekens ingevuld mogen worden. Dit is dus de voorwaarde waaraan moet worden voldaan voor dit veld.
        • In Kolom F, ‘constraint_message’ kan een zelfgekozen melding worden ingevoerd die verschijnt als niet wordt voldaan aan de ingestelde voorwaarde.

        Na publicatie van de survey, zal in het formulier staan hoeveel tekens het veld mag bevatten en wordt de melding getoond.

        Via ArcGIS Pro
        Als de veldlengte aangepast moet worden en de al ingevoerde gegevens moeten behouden blijven, kan gebruikt worden gemaakt van een werkwijze met behulp van ArcGIS Pro. Om deze stappen uit te kunnen voeren is een ArcGIS Pro Standard of Advanced licentie nodig als er attachments zijn toegevoegd aan de survey. De stappen hieronder kunnen doorlopen worden om de gegevens te behouden en wel de veldlengte aan te passen van het betreffende veld.

        • Open de feature service in ArcGIS Pro via de Project Pane (Portal).
        • Open de attribute table van de feature service.
        • Maak een tijdelijke tekstkolom aan en kopieer de waarden uit de kolom waarvan de veldlengte aangepast moet worden naar deze tijdelijke kolom met behulp van de Field Calculator.
        • Verwijder het originele veld.
        • Maak een nieuw tekstveld aan met exact dezelfde naam als degene die zojuist is verwijderd en geef de gewenste veldlengte op (meer dan 255 tekens).
        • Vul dit veld met de data uit de tijdelijke kolom met behulp van de Field Calculator.
        • Verwijder de tijdelijke kolom.

        • Open Survey123 Connect en open het Excel-bestand van de survey.
        • Pas in het Excel-bestand in Kolom V, ‘bind::esri:FieldLength’, de veldlengte aan naar het aantal tekens dat je hebt ingesteld voor het nieuwe veld
        • Publiceer de survey opnieuw en de data zal behouden zijn in de feature service, maar de veldlengte is wel aangepast

        Survey123 Data van je device herstellen

        Het is mogelijk dat het versturen van ingevulde surveys vanaf een device niet mogelijk is doordat bijvoorbeeld de internetverbinding is weggevallen of het device niet goed functioneert. In zo’n geval is het mogelijk om de survey data van het device te halen en vanaf de desktop alsnog met de survey te synchroniseren.

        De survey data wordt op een device opgeslagen in een *.sqlite database. Met deze database kan de niet verstuurde survey data worden hersteld, zolang de database van het device kan worden gekopieerd en de database correct functioneert. Volg daarvoor de volgende stappen.

        1. Installeer en open de Survey123 veldwerk app op de desktop.
        2. Download de survey waarvan de data moet worden hersteld op de desktop door in de Survey123 app op de menu knop te klikken en op ‘Download Surveys’ te klikken.
        3. Sluit het device aan op je desktop en kopieer de *.sqlite database vanaf het device. Het *.sqlite bestand kun je vinden in de bestandsopslag van het device onder ArcGIS > My Surveys > Databases.

          Bij gebruik van een iOS device is een browsing tool als Itunes nodig om de bestanden van het device te halen.

        4. Plak de *.sqlite database in de folder behorend bij de survey op de Desktop. Voor Windows zal de bestandslocatie C:\Users\Username\ArcGIS\My Surveys\Databases zijn.

          Het kan zijn dat deze folder al een database bevat als er al eerder surveys zijn ingewonnen vanaf de desktop. Als dat zo is, kan de bestaande database in een subfolder worden opgeslagen of kan de databasefolder hernoemd worden en een nieuwe database folder worden aangemaakt waarin het *.sqlite bestand kan worden geplakt. Wanneer het geen surveys betreft die nog gesynchroniseerd moeten worden kan de database worden verwijderd.

        5. Open de Survey123 app op de Desktop en klik op de menu knop > Settings > Advanced. Klik daar op Fix Database om de database te herstellen. Navigeer in de app naar de betreffende survey. Er staan hier nu surveys die gesynchroniseerd kunnen worden. Klik op de Sent knop om je surveys te verzenden.

        Wanneer bovenstaande stappen succesvol zijn doorlopen, is de surveydata gesynchroniseerd met de hosted feature service behorend bij de survey en is de survey weer up-to-date.


        Waar moet je kaart aan voldoen om met de Collector for ArcGIS app te kunnen werken?

        Online gebruik van de Collector App

        Om met de Collector for ArcGIS app te kunnen werken moet er een webmap gemaakt worden in ArcGIS Online. In deze webmap moet tenminste 1 laag zitten die te bewerken is. Dit kan een feature service zijn die gepubliceerd is vanuit een eigen omgeving met ArcGIS for Server of een feature service gehost in ArcGIS Online. Naast deze bewerkbare laag kunnen ook andere referentie datasets in de kaart gebruikt worden. Denk bijvoorbeeld aan een WMS service of een map service.

        Offline gebruik van data binnen de Collector for ArcGIS app

        Wanneer de kaart ook voor offline gebruik is bedoeld, dan is het belangrijk dat de mogelijkheid tot synchroniseren aan staat op de betreffende feature service en webmap. Wanneer er een eigen basemap wordt gebruikt, dan dient hier ook de mogelijkheid aan te staan om de kaart offline te gebruiken. Meer informatie over het klaarzetten van data voor offline gebruik kan hier worden gevonden: Kaarten offline beschikbaar maken, zie https://doc.arcgis.com/en/arcgis-online/create-maps/take-maps-offline.htm.

        De standaard basemaps die door Esri worden aangeboden, zijn al geschikt om te downloaden.

        Wanneer de service is gepubliceerd met de juiste capabilities, dan kan in de details van de service in ‘Mijn Content’ worden aangegeven dat synchronisatie ingeschakeld moet worden. Deze instellingen worden dus voor de feature service zelf gedaan.

        Afbeelding 1: Aanpassingen in de feature service

        Wanneer alle data klaarstaat, kan op de details pagina van de webmap worden aangegeven dat de kaart voor offline gebruik gebruikt mag worden door de optie ‘Schakel de offlinemodus in’ aan te zetten. Dit kan als volgt worden gedaan:

        1. Ga naar ‘Mijn Content’
        2. Ga naar de ‘Details’ pagina van de webmap
        3. Ga naar de tab ‘Instellingen’ en zet het vinkje aan bij ‘Schakel de offlinemodus in’. Deze optie is alleen zichtbaar als de kaart voldoet aan alle data eisen (zie link hierboven).

        Afbeelding 2: Aanpassingen in de webmap

        Voor uitleg van de overige opties in afbeelding 2 zie ‘Kaartopties voor apps instellen’, https://doc.arcgis.com/en/arcgis-online/create-maps/set-options-for-apps.htm.


        Offline werken met de Collector app

        Met de Collector for ArcGIS app is het mogelijk kaarten offline te gebruiken voor bijvoorbeeld het verifiëren van gegevens of om nieuwe waarnemingen in te voeren. Zodra het apparaat weer verbonden is met internet, kan de data gesynchroniseerd worden. Echter, hiervoor is het wel van belang dat de data voor gebruik, op een juiste manier is voorbereid in ArcMap.

        Zet data klaar voor offline gebruik

        Offline werken met de Collector app begint met het klaarzetten van een kaart. Om offline te kunnen werken en de bewerkingen te synchroniseren, moeten alle lagen, inclusief de basemap, offline gebruik ingeschakeld hebben.

        Publiceren van data

        Bij het publiceren van data voor offline gebruik zijn een aantal instellingen belangrijk die ervoor zorgen dat de data bewerkt en gesynchroniseerd kan worden. Met de onderstaande stappen is een feature layer gepubliceerd naar ArcGIS Online die geschikt is voor offline gebruik. Ook een ArcGIS for Server feature service (vanaf versie 10.2.2) is geschikt om offline te bewerken en synchroniseren. Neem dan bij het publiceren ook de instellingen uit de onderstaande stappen mee.

        1. Om vanuit ArcMap te publiceren naar ArcGIS Online is het nodig in te loggen door op file > Sign in te klikken. Start in ArcMap met het publiceren van de gewenste feature layer door op File > Share as > Service te klikken.
        2. Publiceer de feature layer naar ArcGIS Online. Type een naam in voor de service.
        3. Vink in de Service editor onder het tabblad capabilities de optie feature access aan.
        4. Vink onder het tabblad feature access de opties create, delete, query, sync en update aan. De sync optie maakt synchronisatie van de offline bewerkte data in de de feature service mogelijk.
        5. Vul onder het tabblad Item Description minimaal de velden Summary en Tags in.
        6. Onder het Sharing tabblad kan worden aangegeven met welke gebruikers de kaart gedeeld wordt. Kies hiervoor een groep met de beoogde gebruikers van de kaart. Klik daarna op de Analyze knop.

          De analyse die is uitgevoerd nadat op de Analyze knop is geklikt resulteert soms in een aantal warnings en/of errors. Soms komt hierbij ook de warning “Layer does not have a feature template set” naar voren. Deze melding heeft normaal gesproken geen invloed op het werken online, maar voor het offline werken is deze wel van toepassing. In stap 7 wordt een feature template set aangemaakt.
        7. Klik in de editor toolbar op Start Editing en daarna op Stop Editing. Hierdoor wordt een feature template set aangemaakt.
        8. Klik op Publish en de feature service wordt gepubliceerd.

        Web Map

        Met de net gepubliceerde feature service kan nu in ArcGIS Online een Web Map worden gemaakt om te gebruiken in de Collector app. De feature layer heeft tijdens het publiceren al de juiste instellingen meegekregen om er offline mee te kunnen werken. Voor in de Web Map moet een basemap gebruikt worden die geactiveerd is voor offline gebruik.

        Esri basemaps in ArcGIS Online zijn automatisch geschikt voor offline gebruik. U kunt kaartlagen inschakelen voor offline gebruik van mapservices in cache met tiles exporteren ingeschakeld (van ArcGIS 10.2.2 for Server of later), featureservices (van ArcGIS 10.2.2 for Server of later), gehoste objectlagen en gehoste tilelagen. Esri basiskaarten worden automatisch geactiveerd voor offline gebruik. Als uw kaart offline gebruikt ondersteunt, wordt offline halen automatisch geactiveerd.

        Kaart offline halen in de Collector app

        De kaart die in de voorgaande paragraaf is gedeeld kan in de Collector for ArcGIS app offline worden gehaald. Omdat de kaart voor offline gebruik is geconfigureerd is dit een eenvoudig proces. Volg voor de kaart die in ArcGIS Online is geconfigureerd de onderstaande stappen op de verschillende devices.

        Android - Tik op Download om de basemap op een Android device te downloaden.

        iOS - Tik op  om de basemap op een iOS device te downloaden.

        Windows - Tik op Download  om de basemap op een Android device te downloaden.

        De volgende stappen gelden voor alle devices:

        1. Kies de gewenste gebied waarvoor de basemap offline zichtbaar moet zijn door in/uit te zoomen op de basemap.
        2. Kies Kaartdetail en stel het gewenste detailniveau in.
        3. Kies Downloaden, de Collector app laadt het kaartenoverzicht en de kaart wordt op het device gedownload.
        4. Wanneer het downloaden van de basemap compleet is kan deze gebruikt worden zonder dat er een connectie met het internet is.

        De grootte van de dataset die offline gehaald moet worden, kan een belemmering opleveren bij het offline halen van een kaart. Door related records of bijlagen in een dataset kan deze flink in grootte toenemen. Op ArcGIS Online hosted feature services zit echter een download limit van 2GB. In ArcGIS Online is een grote dataset prima te gebruiken, maar bij het offline halen van een web map in de Collector app kan er een fout optreden.

        Om dit te voorkomen moet ervoor gekozen worden een zo klein mogelijk deel van de kaart te downloaden met alleen de noodzakelijke feature layers of gebruik te maken vaan reeds gedownloade basiskaarten. Basiskaarten die al op een device zijn gedownload kunnen worden hergebruikt.

        Ook wanneer er veel foto's toegevoegd worden, kan de dataset flink oplopen in grootte. Als er bij het gebruik van de app foto’s vanuit de camera app worden gemaakt, is het aan te raden de camera in te stellen op een lagere resolutie.

        Advanced Offline options

        Bij het klaarzetten van een kaart voor offline gebruik, kan worden ingesteld welke informatie gebruikers van de kaart binnen krijgen van de server. Dit kan worden ingesteld in de Geavanceerde offline-opties van de kaart in ArcGIS Online te vinden onder de eigenschappen van de kaart.

        Klik in de eigenschappen van de kaart op Geavanceerde opties weergeven en gebruik de instellingen om te bepalen wat door gebruikers van de kaart kan worden gedownload. De edits die door de gebruiker worden gemaakt, worden altijd naar de server gestuurd en staan dus los van de Geavanceerde offline-opties. De onderstaande opties kunnen worden ingesteld.

        Bewerkbare Lagen

        Laat Functies aangevinkt als gebruikers bij het downloaden van de kaart de bestaande features in een werkgebied moeten kunnen zien wanneer de kaart voor de eerste keer op een device wordt gedownload.

        Als gebruikers de bestaande features niet hoeven te zien wanneer de kaart voor de eerste keer op een device wordt gedownload kan deze optie uitgevinkt worden.

        Bijlagen

        Vink deze optie aan als gebruikers bijlagen moeten kunnen zien. Vink deze optie uit als gebruikers geen bijlagen hoeven te zien om hun werk te kunnen doen. De bijlagen worden dan niet gedownload waardoor de dataset minder groot is.

        Alleen-Lezen Lagen

        Met deze optie kan worden ingesteld of gebruikers bijlagen downloaden van de server in niet-bewerkbare lagen. Features in niet-bewerkbare lagen worden altijd getoond. Vink deze optie uit om het downloaden van bijlagen in niet-bewerkbare lagen uit te schakelen en zo de grootte van de dataset te beperken.

        Synchroniseer updates

        Wanneer de netwerkverbinding is hersteld kunnen de offline gemaakte edits worden gesynchroniseerd. De edits die door de gebruiker zijn gemaakt worden dan naar de server verzonden en edits die door anderen zijn gemaakt worden van de server gehaald.

        Kies in het kaartenoverzicht voor een van de onderstaande opties om de kaart te synchroniseren:

        Android – Tik op Synchroniseer om de kaart te synchroniseren.

        iOS – Tik op het symbool om de kaart te synchroniseren.

        Windows – Tik op het symbool om de kaart te synchroniseren.

        Om de hoeveelheid data die gesynchroniseerd moet worden te verminderen kan ervoor gekozen worden alleen de eigen edits naar de server te verzenden. Dit kan door de Alleen Push optie aan te zetten. De edits die door anderen zijn gemaakt worden dan niet van de server opgehaald. Hiermee verloopt tevens het synchronisatieproces sneller en worden datakosten beperkt. Als edits gemaakt door anderen belangrijk zijn in het werkproces is dit echter geen optie.

        Volg de volgende stappen om de Alleen Push optie aan te zetten:

        Android – Open het menu , kies voor Instellingen en schakel Alleen Push in.

        iOS – Open het menu , kies voor Instellingen en schakel Alleen Push in.

        Windows – Open het menu , kies voor Instellingen en schakel Alleen Push in.


        Samenwerking Workforce en de Collector app

        Workforce for ArcGIS (Workforce) is bedoeld om de samenwerking tussen werkverdelers en veldwerkers te optimaliseren en te vereenvoudigen. De werkverdelers maken taken aan en wijzen deze toe aan de veldwerkers. Deze gaan hier vervolgens mee aan de slag. Tegelijkertijd is het ook mogelijk dat veldwerkers in het veld op urgente zaken stuiten. In dergelijke gevallen wil je dat de veldwerker zelf een opdracht aan kan maken. Dit kun je realiseren door Collector for ArcGIS (Collector) samen te laten werken met Workforce om veldwerkers opdrachten aan te laten maken.

        Als je een Workforce project aanmaakt, wordt er ook in ArcGIS Online een map aangemaakt met daarin een drietal web maps. Een voor de veldwerkers; een voor de werkverdelers; en een voor de beheerder waarop alle data staat. Deze kaarten zijn niet beschikbaar in Collector omdat dit het te eenvoudig zou maken om onbedoeld opdrachten buiten Workforce te bewerken.

        Om toch een samenwerking tussen Collector en Workforce tot stand te brengen doorloop je vier stappen. Je maakt een weergave van de opdrachten van de veldwerkers; vervolgens maak je een kaart voor in Collector; je geeft de veldwerkers toegang en je maakt opdrachten aan met behulp van Collector. In dit artikel lees je hoe je dat kunt doen.

        1. Maak een weergave van de Assignments laag

        Door een weergave van de Assignments laag te gebruiken kun je de opdrachten beschikbaar maken vanuit Collector, zonder toegang te geven tot alle data. Hiermee kun je bepaalde velden, features en datatypes uit de laag halen, zonder aan de originele laag te zitten. Ga hiervoor naar de itempagina van de Assignments laag en klik Weergavelaag maken. Als je de veldwerkers toegang wilt laten hebben tot alle data kun je deze stap overslaan. Je maakt dan geen weergavelaag aan en kunt de Assignments laag direct aan Collector kaart toevoegen. Vervolgens configureer je de pop-up op dezelfde manier als hieronder beschreven voor de weergave.

        Vanaf de itempagina, ga je naar het Visualisatie tabblad, kies meer opties en klik Weergavedefinitie instellen om in te stellen welke data de veldwerkers te zien krijgen:

        • Objecten definiëren om alleen features met status ‘Unassigned’ weer te geven.
        • Velden definiëren om alleen de volgende velden weer te geven: OBJECTID, Description, Status, Priority, Assignment Type, WorkOrder ID, Due Date, GlobalID, Location, CreationDate, Creator, EditDate, en Editor. Sommige van deze velden moeten ingevuld worden door de veldwerkers. Bij het configureren van de pop-up laat je deze bewerkbaar in Collector. De andere velden worden automatisch ingevuld en deze verberg je in de pop-up. Je kunt er ook voor kiezen de velden Description, Priority, WorkOrder ID en Due Date weg te laten.

        2. Configureer de pop-up

        In het visualisatie tabblad van de Assignments laag of de weergave daarvan, configureer de Pop-up . Hiermee wordt bepaald wat de veldwerker in Collector tijdens het bewerken te zien krijgt.

        • Zorg ervoor dat de Pop-up Titel relevante informatie voor de veldwerkers weergeeft.
        • Voeg verder de volgende velden in deze volgorde toe: Assignment Type, Location, Description, Priority, Due Date, and WorkOrder ID. Klik op Attributen configureren en vink ‘Weergeven’ en ‘Bewerken’ uit.
        • Klik vervolgens op ‘OK’ en sla de kaartlaag op door op ‘Kaartlaag opslaan’ te klikken.
        • Dan ga je naar het ‘Instellingen’ tabblad van de Weergave en configureer je de bewerkrechten onder ‘Feature Layer (gehoste)’ als volgt:
        • Onder ‘Welke bewerkingen zijn toegelaten?’ behoud je de default instellingen:
        • Onder ‘Welke feature kunnen editors zien?’ behoud je de default instellingen, dat verkleint de kans dat editors dubbele opdrachten aanmaken:
        • Onder ‘Welke features kunnen editors bewerken?’ selecteer de volgende optie:
        • Sla de instellingen op.

        3. Maak een kaart voor Collector

        Ga terug naar de overzichtspagina van je Assignments laag of de weergave daarvan en voeg de laag aan een nieuwe kaart toe.

        • Hernoem de weergave ‘Opdrachten’ in het Content paneel.
        • Verwijder alle feature types, behalve ‘Unassigned’. De veldwerkers hebben deze types niet nodig en door ze te verwijderen zullen nieuwe opdrachten altijd automatisch ‘Unassigned’ zijn. Om ze te verwijderen klik ‘Bewerken’ en helemaal onderaan op ‘Beheren’. Naast elke feature type klik je op de pijl en vervolgens kies je ‘Verwijderen’. Zorg ervoor dat je het feature type verwijderd en niet alleen het template dat erbij hoort.
        • Voeg alle data toe die de veldwerkers nodig hebben om hun werk te kunnen doen.
        • Gebruik geen Vector basiskaart, deze worden in Collector Classic niet ondersteund.

        4. Deel de kaart met de veldwerkers

        De web map en de nieuwe laag moeten gedeeld worden met de veldwerkers die de kaart nodig hebben.

        Als alle veldwerkers in het Workforce project nieuwe opdrachten aan moeten kunnen maken, kun je de web map en de nieuwe laag delen in de groep die tegelijk met het project is aangemaakt. (Deze groep vindt je onder het tabblad ‘Groepen’ in je ArcGIS Online portaal). Door dit te doen hebben ook de werkverdelers toegang tot de kaart in Collector.

        Als je alleen bepaalde veldwerkers toegang wilt geven tot de kaart, maak je een nieuwe groep in ArcGIS Online of voor je Enterprise omgeving aan. Nadat je de veldwerkers hebt toegevoegd deel je de web map en de overige lagen met deze groep.

        5. Create assignments in Collector

        De veldwerkers kunnen de nieuwe web map in Collector openen en nieuwe opdrachten toevoegen. Tegelijkertijd hebben ze niet de bevoegdheden die bij de Workforce app horen. De volgende dingen zijn belangrijk om te onthouden:

        • De veldwerkers moeten een Assignment Type en locatie aanleveren.
        • Met de weergave en pop-up congifuratie, kunnen ze geen Dispatcher ID aanmaken. Deze wordt door Workforce ingesteld wanneer de opdracht via de web app wordt toegewezen.
        • Wees terughoudend met het verwijderen van opdrachten: dit is definitief en niet hetzelfde als ze sluiten.

        Nu kunnen je veldwerkers hun bevindingen in het veld gelijk doorzetten naar het Workforce project. De werkverdelers kunnen deze informatie gelijk gebruiken en in de planning opnemen.


        Gerelateerde tabellen – Slim gebruik van de Collector app

        Waarom gerelateerde tabellen?

        Met het relateren van tabellen wordt een relatie aangemaakt tussen een dataset en de brondata op basis van een gemeenschappelijk veld. Hiermee kunnen op dynamische wijze verschillende soorten gegevens worden opgeslagen en beheerd voor hetzelfde object. Assetmanagement is een mooi voorbeeld waarbij gerelateerde tabellen een relevante toevoeging kunnen zijn aan de workflow.

        Het uitgangspunt in de rest van dit artikel zijn brandkranen. Voor elke brandkraan wordt informatie bijgehouden. Routinematig worden inspecties uitgevoerd. Als bij een inspectie wordt geconstateerd dat de toegang tot de brandkraan wordt beperkt, kan een overtreding worden genoteerd. De inspecties en overtredingen worden los van de brandkranen beheerd, maar zijn hier wel aan gerelateerd.

        Een logische datastructuur

        Binnen een geodatabase kun je een relatie maken tussen brandkranen, inspecties en schademeldingen door gebruik te maken van relationship classes. Onderstaand voorbeeld geeft een indruk van de bijbehorende datastructuur:

        Met Collector for ArcGIS kun je vervolgens gerelateerde gegevens bevragen, bewerken en zo assetmanagement naar een hoger plan tillen. De cardinality (relatie-beschrijving) in bovenstaand voorbeeld is 1-op-veel, dat betekent: de brandkraan heeft een relatie met meerdere records (inspecties). Het is daarna mogelijk om aan elk van deze inspecties een dataset met schademeldingen te relateren.

        Data-preparatie in ArcGIS Pro

        De eerste stap om deze workflow te verwezenlijken is het aanmaken van het datamodel in ArcGIS Pro.
        Maak in ArcGIS Pro binnen een geodatabase een feature class aan voor het hoofdobject waarin de eigenschappen als verschillende kolommen worden ontworpen. Verder kunnen ook domeinen of subtypes worden toegekend en de mogelijkheden voor editor tracking en attachments worden ingeschakeld.

        Wanneer u gerelateerde data wilt definiëren, is het sterk te adviseren om dit op basis van een uniek Global ID te doen en niet op basis van door gebruikers beheerde relaties.
        Hiervoor voert u de tool ‘Add Global IDs’ uit op de originele feature class.

        Maak daarna een tabel óf tweede feature class aan waarin de gerelateerde data komt te staan. Maak ook hier velden, domeinen en/of subtypes aan, ken deze toe en kies er eventueel ook voor om editor tracking en attachments te activeren. Om de gerelateerde tabel of feature class te optimaliseren voegt u een veld toe van het data type GUID (in dit voorbeeld heet dit veld ‘InspectieID’). Herhaal deze stap eventueel nog voor een derde tabel of feature class.

        Aanmaken van Relationship Classes

        Nu de losse componenten klaar zijn voor gebruik gaat u met de tool ‘Create Relationship Class’ een relatie aanmaken tussen de brondata en de gerelateerde data.

        U doorloopt hierbij de volgende stappen:

        1. Kies bij ‘Origin Table’ de feature class met de brondata (in dit voorbeeld ‘Brandkranen’).
        2. Kies bij ‘Destination Table’ de tabel of feature class met gerelateerde data (‘Inspecties’).
        3. Geef een naam aan de ‘Output Relationship Class’.
        4. Kies een relatie-type: ‘Single’ in het geval van een onafhankelijke objectrelatie of ‘Composite’ in het geval van een afhankelijke objectrelatie (in dit voorbeeld kiezen we voor ‘Composite’).
        5. Kies een manier waarop wijzigingen tussen de ‘origin’ en ‘destination’ tabel worden doorgegeven (in dit voorbeeld kiezen we ‘forward’).
        6. Kies bij Cardinality ‘One to many’ (1:M - hiermee kan elke feature in de brontabel gerelateerd worden aan meerdere attributen in de gerelateerde tabel).
        7. Kies bij ‘Origin Primary Key’ het Global ID veld en bij ‘Origin Foreign Key’ het GUID veld.
        8. Klik op ‘Run’ om de tool met aangegeven parameters uit te voeren.

        Dit proces kun je vervolgens herhalen voor een nieuwe relatie vanuit de gerelateerde data (zoals tussen ‘Inspecties’ en ‘Schademeldingen’) of voor een nieuwe relatie vanuit de brondata.

        Publiceren naar het portaal

        Wanneer de relationship classes zijn aangemaakt kun je de originele feature class met de gerelateerde tabellen toevoegen aan een kaart en publiceren naar een ArcGIS Online-portaal of Portal for ArcGIS.
        Let hierbij op dat de editing-mogelijkheden aanstaan en dat voor offline gebruik van Collector ook de synchronisatie-opties zijn geactiveerd. Edit-rechten worden op feature service-niveau beheerd. Als je gerelateerde records wilt kunnen editen, moet de feature service dus ook bewerkbaar zijn. Binnen de web map zelf kun je, indien gewenst, editing uitzetten op de originele feature class zodat enkel de gerelateerde records te editen zijn.

        Een web map configureren

        In ArcGIS Online of Portal for ArcGIS maak je een web map aan op basis van de feature service die is aangemaakt. Het is slim om de lagen en tabellen een logische naam te geven in de web map, omdat dit de ervaring binnen apps zoals Collector verbetert.

        Verder is het belangrijk dat pop-ups zijn ingeschakeld voor alle objectlagen en tabellen. Als dit niet gebeurt, worden gerelateerde tabellen niet in het formulier weergegeven. Verder kun je met de pop-up configuratie instellen hoe de attributen worden weergegeven of gewijzigd.

        Inwinnen van gegevens via Collector for ArcGIS

        Als de web map goed is geconfigureerd, wordt het tijd om de mogelijkheden binnen Collector for ArcGIS te ontdekken. De app ondersteunt op dit moment de volgende relatie typen:

        • Feature-to-table relaties (1-op-1 en 1-op-veel)
        • Feature-to-feature relaties (1-op-1 en 1-op-veel)
        • Table-to-table relaties (als de eerste tabel via een feature wordt benaderd)

        Collector ondersteunt ook complexe relaties (zoals: brandkraan > inspectie > schademelding). Natuurlijk kun je ook meerdere relaties maken (zoals: brandkraan > inspectie, brandkraan > materiaal etc.). Wanneer je op een object uit de originele feature class tikt, krijg je in het Details-venster onderaan de gerelateerde records te zien en heb je de mogelijkheid om een nieuw record aan te maken.

        Een gerelateerd record wordt behandeld als een sub-formulier van het originele object. Dit geldt ook voor complexe relaties die nog een niveau verder gaan. Op deze manier navigeer je vanuit de originele feature class door alle gerelateerde data heen. Wanneer het gerelateerde record niet in een tabel wordt aangemaakt, maar in een tweede feature class, zal de keuze worden gegeven om het gerelateerde feature type in te winnen.

        Met gerelateerde data kun je assetmanagement naar een volgend niveau tillen door relevante data te integreren binnen uw inspectieproces met Collector for ArcGIS.


        Waardoor kunnen de Collector en ArcGIS app voor iOS crashen op het moment dat ik een object wil selecteren?

        Achtergrond

        De ArcGIS Collector app crasht wanneer er in ArcGIS Online een hosted feature service is gemaakt en daarbij de volgende opties staan aangevinkt:

        Oplossing

        Op dit moment is er sprake van een bug binnen zowel de Collector App als de ArcGIS app (green app) voor iOS apparaten. De workaround voor de bug is het instellen van je taalinstellingen op het iOS device van Nederlands naar Engels. Zodra deze instellingen zijn aangepast werken de apps weer zoals verwacht.

        Ter info: Informatie over de desbetreffende bug kan je terugvinden door naar de support pagina te gaan. Hier kan je zoeken naar het volgende bugnummer: NIM094412.

        Link

        Esri Support pagina: http://support.esri.com


        ArcPad Data Manager toolbar niet meer zichtbaar (ArcGIS 10)

        Esri raadt aan om voor de upgrade van ArcGIS 9.3.1 naar ArcGIS 10.x alle Esri software te verwijderen. Het wordt ook aangeraden om ArcPad te verwijderen voordat ArcGIS 10.x geïnstalleerd wordt. Wanneer ArcGIS 10.x geïnstalleerd wordt zonder eerst ArcPad te verwijderen, is de ArcPad Data Manager toolbar niet meer beschikbaar. Verwijder en installeer ArcPad opnieuw zodat deze weer beschikbaar wordt in ArcMap. 

        Compatibiliteit

        • De ArcPad 10.0 Data Manager is enkel compatibel met ArcGIS 10.0, 10.1 en 10.2;
        • Wanneer er met ArcGIS 9.3 gewerkt wordt is de ArcPad 8.0 Data Manager geïnstalleerd;
        • De ArcPad 8.0 Data Manager werkt zowel met ArcGIS 9.3, 9.3.1 als met ArcGIS 10.x.

        Datumtransformaties in ArcPad 10.2.x

        Tussen het coördinaatsysteem van de kaart en het coördinaatsysteem van de GPS moet daarom bijna altijd een coördinaattransformatie worden uitgevoerd. In Nederland is het gebruikelijk een GPS positie van geografische coördinaten WGS 1984 om te zetten naar geprojecteerde coördinaten in het RD-stelsel (het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, ook wel Rijksdriehoekstelsel genoemd). Een correct gekozen bijbehorende datumtransformatie voorkomt een locatie-afwijking van ongeveer 100 tot 150 meter.

        Oplossing

        Voor ArcPad 10.2.x kunnen dezelfde datumtransformaties worden gebruikt als bij ArcGIS for Desktop 9.3. ArcPad bevat alle projecties en datumtransformaties uit de ArcGIS Projection Engine. Het instellen van de juiste datumtransformatie gebeurt binnen de Datum Configuration Tool.

        In de Datum Configuration Tool is het mogelijk een default datumtransformatie te selecteren. Deze transformatie wordt binnen ArcPad gebruikt om de GPS coördinaten te transformeren naar het RD-stelsel. Om de coördinaten nauwkeurig te transformeren raden wij aan om gebruik te maken van de transformatie “Amersfoort_To_WGS_1984_4X”.


        Fig. 1 Het instellen van de default datumtransformatie

        De default datumtransformatie zal ingesteld moeten worden voordat ArcPad wordt opgestart. Een wijziging in de Datum Configuration Tool wordt niet tijdens een openstaande ArcPad sessie overgenomen. ArcPad moet opnieuw opgestart worden om de wijzigingen over te nemen. De wijzigingen in de Datum Configuration Tool worden opgeslagen in het bestand “defaulttransforms.dbf”. Dit bestand is te vinden in de folder: C:\Users\\Documents \ArcPad\System. Vergeet niet om dit gewijzigde bestand ook naar de ArcPad System folder naar alle mobiele apparaten over te zetten.

        Na het instellen van de default datumtransformatie kan binnen ArcPad via het GPS Preferences menu gecontroleerd worden of de juiste transformatie gebruikt wordt. Dit menu is te vinden onder het hoofdmenu Map > GPS > GPS Preferences (Fig. 2).


        Fig. 2 GPS Preferences

        De default datumtransformatie is in de Datum Configuration Tool ingesteld op Amersfoort_To_WGS_1984_4X. Zodra er een layer, ArcPad Map of AXF bestand met de projectie Rijksdriehoekstelsel (RD_New) wordt ingeladen kan via GPS Preferences gecontroleerd worden of deze default datumtransformatie ook daadwerkelijk wordt gebruikt. Open daarvoor de GPS Preferences en ga naar het tabblad Datum (Fig. 3). Klik op het informatie icoontje om binnen ArcPad de transformatie op te vragen (Fig. 4).


        Fig. 3 Tabblad Datum


        Fig. 4 Informatie over de gebruikte transformatie

        Voor meer informatie over de theorie achter de datumtransformaties verwijzen wij graag door naar onze GIS fundamenten.